Chasse patat (1)


Chasse patat, deel 1. Mijmeringen vanuit de volgwagen.


1. Heinrich Haussler
Met zo'n charmant kushandje op 800 meter van de meet heb je mij snel om, maar Haussler verdient dat kushandje eigenlijk gewoon te krijgen in plaats van te geven. Hoe hij Chavanel in de afdaling op de  Platzerwasel plafonneerde was kunst. Haussler is in de afdaling vergroeid met zijn fiets. Hij zou het liefst het frame inkruipen om nóg sneller te gaan, de duivel onbevreesd. Ik kan uren naar een dalende Haussler kijken.

2. Franco Pellizotti
De Kapitein Ahab van het peloton, die vandaag eindelijk zijn Moby Dick te pakken heeft: de Bolletjestrui. Sprokkelt al dagen elk puntje voor de bergtrui bijeen, sprint Martínez er bergop steevast af en krijgt waar hij recht op heeft. Eerder deze tour al tweede in een etappe toen hij zich liet ringeloren door Fedrigo, maar de mooie Italiaanse glimlach kwam weer te voorschijn toen hij een nieuw doel vond om zich in vast te bijten. Hij danst bergop als in zijn uitstekende Giro dit jaar, zelfverzekerd. Het opgestoken duimpje naar zijn Liquigas-maat vandaag, toen hij als eerste van het peloton de Firstplan over kwam, was ontroerend. De heilige Madonna heeft hem niet teleurgesteld. Pellizotti ontpopt zich deze tour als een echte truirenner.

3. Tragedie
Ik zit deze tour nog met smart te wachten op een renner die gigantisch kapot gaat. Snot voor de ogen, vloeken, janken. Patat. Chavanel zat behoorlijk stuk vandaag, zag volgens Herbert en Maarten "de wereld voor een doedelzak aan". Maar dat kan beter slechter heren renners! De aftakeling moet nog veel onthutsender zijn dan hoe de Fransman zich vandaag naar de streep liet pierewaaien.
De renner moet eigenlijk sterven op de fiets. In de striemende regen, windkracht acht, met de bezemwagen bijkans op de bagagedrager. Lekke band, valpartij (liefst meerdere, en liefst in een stijle afdaling, met de billen over het asfalt), de motard een hengst geven, slijm op de kin, oortje opeten, modder in de ogen, lege bidon. Existentiële crisis "tussen anus en scrotum". Doodgaan op de fiets. Toch niet opgeven. En daarna opnieuw doodgaan.


Die Leiden des Jungen Erik

 

Met welke verwachtingen zou Erik Breukink zijn afgereisd naar Frankrijk? Zou hij daags voor de Tour, 's avonds op de bank, uit het niets ineens "Goh, wat heb ík zin in de tour!" gezegd hebben tegen zijn vrouw, een ondeugende glinstering in zijn ogen? "Ahhh gezellig met de boys op stap!" Spijtig genoeg zie ik het niet voor me. Waarschijnlijk lijkt me dat hij stiekem al wel dacht: "Heilige Maria, moet ik zowat een maand naar dat kloteland met een kopman die al drie weken geen meter heeft getrapt? Heer, erbarm U over mij..."

In het laatste geval was hij in ieder geval voorbereid op de majestueuze catastrofe die zich voor Rabo heeft voltrokken deze eerste week. De meest tedere, tranentrekkende momenten van deze Grand Boucle zijn voor mij dan ook de interviewtjes met Erik Breukink geweest na elke etappe. Breukink staat sinds de belabberde tijdrit van De Stoïcijn op dag één de pers te woord als de gebeeldhouwde gelatenheid. Wanhoop, intens verdriet, woede; je zou het hem vergeven, willen délen in die emotie! Ongelofelijk! Wat een pech! Hoe. Is. Het. Toch. Mogelijk?
Maar niets van dat al. Voor Erik zijn die emoties reeds verbrande bruggen achter hem. De asresten smeulen niet eens meer, ze verwaaien in ijzingwekkende stilte gelijk een Franse begraafplaats. Erik's lippen trillen niet eens als hij vijf minuten na de finish moet vertellen over gevallen renners, falende tactiek of zijn kopman die geen deuk in een pakje boter rijdt. Hij is de emotie voorbij, ijssculptuur van eenzaamheid zonder kippenvel.
Erik Breukink is al negen dagen een ontzagwekkende erectie van vlakke geslagenheid.

Hij doet me sinds het begin van de tour maar aan één iemand denken. Werther, de door Johann Wolfgang von Goethe geschapen Miserabele Mensch, dolgedraaid en verscheurd door liefdesverdriet. Erik und Werther, Werther und Erik. Beide hebben het eigen leven uit de hangsels gejankt, gevangen in een Möbius-lus die door het zwartst denkbare gat trekt. Maar waar Werther's lijden in een suïcidale climax tot rust komt, lijkt Erik dat station allang gepasseerd. Het lijden is ondraaglijk en dus heeft Erik de gestalte aangenomen van een geest. Iemand die de Dood in de ogen heeft gekeken, hem heeft neergehoekt en de Dood in zijn vlucht heeft afgeschud. De ultieme demarrage.

Sindsdien breekt Erik niet meer. Als je niet de held kunt zijn, dan maar de anti-held. Erik leert ons dat een dieptepunt niet een eenmalig iets hoeft te zijn, maar ook een constante staat van zijn. Een wijze les die in dit leven maar al te vaak wordt verzwegen. Werther moet dit ook geweten hebben. Met dat voorland op het betraande netvlies schoot hij zich door zijn kop. Maar Erik wendt zijn hoofd niet af. Liever boegbeeld van tristesse dan een stille ondergang.
Vandaag is het rustdag. En rust betekent hoop, vaak tegen beter weten in. En dus verklaart Menchov zich elke dag "een stukje beter" te voelen, put de bankploeg hoop uit de gedachte dat het niet slechter kan dan deze eerste rampweek (een gevaarlijk houvast dat maar al te vaak is gelogenstraft). En Breukink heeft zich neergelegd bij zijn Werther-rol.

Het is 25 juli 2009, de flanken van de Mt. Ventoux. Menchov - 13e in het klassement op een kleine zes minuten - zit in de kopgroep. Enkel de Schleckjes, Sastre, Evans, Armstrong en Contador zijn in zijn gezelschap. Als de kopgroep Bedoin verlaat voor het laatste, zwaarste gedeelte, grijpt Menchov naar zijn communicatiesetje. "Erik, I feel good, can I go?" In de ploegleiderswagen tussen peloton en kopgroep antwoordt Breukink: "Ga je gang Denis, succes." Menchov roept Erik opnieuw. En opnieuw. Maar hij hoort niets. Geen antwoord. Erik verheft zowaar zijn stem en zegt luid tegen Menchov dat hij kan gáán!
Denis probeert het nog één keer. Erik zit inmiddels te schreeuwen in zijn wagen, ramt met zijn vuist op het stuur. Maar het komt niet over. Zijn woorden zijn onderdeel van de ruis geworden. Erik beseft wat dit betekent en staakt zijn pogingen zich verstaanbaar te maken. Tranen wellen op, zijn lippen beginnen plots te trillen.
Menchov grijpt zijn 'oortje', smijt het vloekend langs de flanken naar beneden en plaatst een ziedende demarrage. De dood op zijn hielen.




Bruyneel bekent kleur


Een bocht met een lengte van 20 meter zette etappe 3 op z'n kop vandaag. Nog geen vijf minuten eerder vervloekte ik Team Columbia nog, omdat het de hele dag een saaie bedoening was en de uitkomst toch al vast stond. Cavendish won inderdaad, en telefoneerde op de streep nog even bijzonder irritant met het thuisfront om aan te geven dat hij 'rechtdoor naar huis van kantoor' ging ("Hi love, how was your day? Are you taping this?").

Maar dat op dag drie de glamourboys Bruyneel en Armstrong hun kopman Alberto Contador al de grond in zouden trappen, dat had ik niet verwacht. Ik heb nog geen reacties gehoord, maar ongetwijfeld zal Lance zeggen dat het gewoon 'gebeurde', dat hij toevallig van voren zat toen de waaier brak. Dat klopt ook.
Bruyneel zal verklaren dat, toen de kopgroep eenmaal 25, 30 seconden had, en de groep erachter liep te prutsen (dat moet gezegd, wat een zooitje), hij 'geen keus' had en de kaart Armstrong wel 'moest' spelen. Dat nu klopt niet. Armstrong vroeg Bruyneel via het oortje of hij en Popovych alsjeblieft als dolle Contador op achterstand mochten rijden. Of iets van die strekking. Bruyneel zag dat het goed was, en velde het vonnis over zijn Spaanse kopman. "Why postpone the inevitable?"

Voordat Bruyneel naar Astana vertrok had ik altijd groot respect voor de man. Als geen ander kon hij zijn kopman, Lance Armstrong, faciliteren bij het behalen van zeven touroverwinningen. Gewiekst als het moest, maar altijd fair. De ellende is begonnen toen hij Armstrong terughaalde naar Astana. Er moet zich een schimmenspel binnen die ploeg hebben voorgedaan, opgevoerd in hotelkamers, aan het gezamenlijke ontbijt, na de koers. Dat Contador en Armstrong nog nooit met elkaar gepraat hebben is an sich niet zo bijzonder. Maar dat Bruyneel die twee niet gedwongen heeft kennis te maken is dat wél.

Bruyneel verkiest roem boven harmonie, de Gekozene boven het discipelencollectief. De kopman kan de kolere krijgen als de Goddelijke Armstrong wenkt. Steak boven paella, machismo over romantiek. Johan Bruyneel verried vandaag zijn ware herkomst: hij is gesneden uit de kuit van de Texaan.




Denis, Stoïcijn

Denis Menchov

 

"Dit moet een foute tussentijd zijn," zei een verbaasde Maarten Ducrot toen Denis Menchov het 7.5 km banier passeerde. Een 49e tussentijd? Werkelijk? De man die Ducrot en Dijkstra tien minuten eerder nog tot achtmaal toe zo heerlijk stoïcijns noemden, zakte vandaag - op dag 1! - door het ijs. Off-day? Buikloop? Geen ritme? Het was, en blijft, gissen. Tenminste, voor hen die een reden willen hebben. Soms is er gewoon geen reden; de meest onbevredigende reden van al.

Denis Menchov. Blauwdruk van de kille Sovjet, vleesgeworden uiterlijke onverschilligheid gehouwen uit onsmeltbaar Siberisch ijs. Via Spanje wist hij zich in de kijker van Rabobank te spelen. En nu rijdt deze Rus in dienst van een Nederlandse ploeg. En weet deze Rus zich ineens enorm populair onder het Nederlandse wielervolk. Menchov is plots de grote favoriet, omdat hij betaald wordt door een Nederlandse bank. Leer de Nederlandse wielerziel kennen: wij eren niet hij die van ons is, maar hij wiens salaris we betalen. Als Breukink Lance Armstrong had binnen gehaald was Nederland en masse achter de Texaan gaan staan, ik twijfel er niet aan.

Het geeft een beetje een nare smaak. Nederlandse wielerfans die op de knieën gaan voor deze Rus, een Rus waarvan niemand eigenlijk weet wie hij is. Want wie is Denis Menchov? Is hij de zwijgende bloedtransfuseur? Of een introverte goedzak die af en toe valt - vooral op bepalende momenten - maar zich heeft opgeworsteld van verliezen door de val tot winnen ondanks de val? Ik denk niet dat het de wielerfan iets uitmaakt. Men loopt massaal weg met iemand die nog nooit ook maar een klinker tot het Nederlandse wielervolk gesproken heeft. Niets ten nadele van Denis Menchov - integendeel zelfs - maar elke willekeurige top-20 renner was een Nederlandse held geworden als hij voor Rabo had gereden.

Denis Menchov werd vandaag een niet te benijden blik op de billen van Fabio Cancellara gegund. Niet dat het geen mooie billen zijn, maar Menchov had ze vandaag nooit mogen zien. In de eerste etappe van de Tour, de Tour die Menchov's Tour moet zijn, liet hij het genadeloos afweten. Makker Gesink eindigde 23 plaatsen hoger dan zijn kopman. Misschien heeft Menchov niets meer te bewijzen na zijn winst in de Giro. Misschien heeft hij te lang van de rust rond zijn Datsja genoten, of misschien had hij gewoon een baaldag.

Ook mij deed het wel wat, Menchov's nederlaag vandaag. Maar ook ik weet eigenlijk niet waarom. Ik zal mezelf tot op zekere hoogte net zo identificeren met Rabo als elke andere Nederlander. Als Breukink daadwerkelijk Armstrong naar Rabo gehaald had, had ik geen empathie gevoeld, zoveel is wel zeker - er zijn grenzen aan het betamelijke.
Maar Denis Menchov is een verloren ziel. Het zou een kind uit een weeshuis nabij Tsjernobyl kunnen zijn (zoals heel veel Russen trouwens). Zijn geslotenheid wekt meelij en een gevoel van tederheid in me op (zoals heel veel Russen trouwens). En het blijkt iemand die vertrouwen en warmte nodig heeft, ook al lijkt hij dat niet terug te geven. Rabo gaf hem het vertrouwen en was geduldig. Nu hij op zijn 31e eindelijk kan floreren, kan oogsten, en na een fantastische Giro vol 'stoïcijn' aan de start van de 96e Tour verschijnt, lijkt het mis te gaan. Op dag één al.

Wat de reden is zullen we toch nooit weten. Als Gesink nog een dikke week zijn kopman kan voorblijven in het klassement - en waarom niet - denk ik dat WielerNederland de Rus schielijk afvoert van het schild waarop men hem zelf hees. 'Wij een Rus als held? Deze prutser? Natuurlijk niet!' Rabo zal Denis Menchov in oktober zijn laatste salaris uitbetalen. Nederland heeft toch geen Rus nodig? We hebben immers Gesink! Of een andere buitenlander die we van nu af aan goed zullen betalen en bewierroken!

En op zijn Datsja, met zijn vrouw en twee kinderen, zal Denis Menchov - nooit de Tour gewonnen, maar wel de Giro en Vuelta - waarschijnlijk nauwelijks terugdenken aan Nederland. Denis wilde terecht geen polonaise, geen Oranje-malloten voor hém langs de kant. Maar dat wordt in Nederland waarschijnlijk niet begrepen. Als onze Held faalt of geen Held wil zijn, niet zoals wij het willen, dan zoeken we wel een andere Held.

De gedachte aan Rabo, aan Nederland, komt wel even boven, maar het laat hem na een aarzeling van enkele seconden volstrekt koud. De zon gaat onder, het biertje smaakt prima, voetjes op het bijzettafeltje. In de verte ploetert het Rusland waaraan hij zich ontworstelde voort. Zijn stoïcijnse vrouw knijpt hem liefdevol in zijn arm en gaat hun stoïcijnse kinderen naar bed brengen. En Menchov kijkt uit over het landgoed rond zijn buitenverblijf en zwijgt. Stoïcijns als hij is.




Le Velo Ivre

ikfietslol


(foto: moniiq)



Het kriebelt al weken. Wat zeg ik, maanden. De immer voortreffelijke aanloop met al haar opgewonden anticipatie, de manische voorbeschouwingen, de lijstjes, de namen en de schandalen is als vanouds. Alle liefhebbers herkennen het, en toch heeft iedere liefhebber een volstrekt eigen beleving van deze zomerse manie. De een schreeuwt, gehuld in oranje, Nederlanders bij bergen omhoog. De ander contempleert enkel - omsloten in een extreem onsportieve omgeving van drank en eten en hedonisme en dromen - over strakke kuiten, in goud gehulde ventielen, dynepo en de mediakaravaan die leeft bij de gratie van deze absurde drie zomerse weken. Fantaserend over heldendom en het martelaarschap, over het ultieme bedrog, over de Mens in het Beest, het onmenselijke dat verlangd wordt door onszelf, en over - ja, zelfs over - Mart Smeets die melancholiek het zoveelste glas opdraagt aan Dalida:
Le Tour de France.

Over de Tour valt niets te zeggen dat al niet gezegd is, en dat is dan ook de kracht van de Tour de France. Hetzelfde sprookje, elk jaar opnieuw. Als een droom waar je het hele jaar naar uitkijkt om hem te herbeleven - je weet dat hij gaat komen! Een droom vol pafferige ex-wielrenners, plakkerig asfalt, ellebogen, de opwinding van de eerste grote valpartij, lelijke mannen, valpartijen, geveinsd zelfvertrouwen, C 1 t/m 4 en HC, mooie mannen, zweet, wijn (veel wijn), strategie, de Amazing Stroopwafels, doping, vertrouwen tegen beter weten in, masochisme door het rotsvaste geloof in deze 161 engelen bezig aan hun val, want écht goed aflopen doet het bijna nooit... Werkelijk alles komt voorbij in drie weken, terug te voeren op de simpelere maar o zo grote thema's van het leven. Verlangen, Melancholie, Weemoed, Heldendom en Misdaad.
Noem het maar niks.

Het mooie aan le Tour is dat het elk jaar opnieuw weer voelt als in potentie de mooiste/beste/meest dramatische tour allertijden. Deze tour vormt daarop geen uitzondering. Het aantal renners dat aanspraak maakt op de eindoverwinning is groter dan ooit. Het doping-spook hangt reeds als een zwarte wolk boven het peloton. De Gehate Amerikaan doet een, hopelijk, gedoemde poging de tour voor de achtste maal te winnen, en weet zich nu al opgejaagd als nooit te voren. Contador, Evans, Menchov, Sastre, Andy Schleck en Pellizotti staan te trappelen Armstrong het mes in de rug te steken en de macht te grijpen. Bezwaard geweten of niet. 'Schuld' telt niet in de Tour. Boetedoening en spijt komen jaren later, ze komen als je betrapt wordt, of ze komen nooit. Maakt het uit? Nee, het is om het even.

De komende drie weken stap ik onregelmatig aan land en wordt Het Dronken Schip ingeruild voor De Dronken Fiets. Tricootje aan, goed gevulde bidon (inhoud onbekend), al dan niet opgepimpte zak bloed uit de vriezer halen en gaan. Trappen duwen trekken schelden zwoegen zweten winnen vallen verliezen. Ik omarm het ongrijpbare mysterie van deze chaos, deze moderne tragedie die elk jaar weer wordt opgevoerd. Dit verdriet van het mens-zijn, deze triomf op de werkelijkheid, in een sportwedstrijd gegoten.

De in te vullen rondeposter - zorgvuldig uitgekozen in een Franse tabac - hangt aan de muur. De pen ligt klaar. On y va!




2008 #01 - The Caretaker

The Caretaker – Persistent Repetition of Phrases

 

De ballroom fragmenten op ‘Persistent Repetition of Phrases’ lijken op het eerste gehoor zoete herinneringen, warme melancholie, opgediept door een oud, gemankeerd brein. De loops zijn zonder begin of einde, maar herhalen zich oneindig. Je denkt terug. Je herinnert je de geur van haar hals nog. En die verwarrend charmante glimlach. Maar de zoete smaak wordt snel bitter: je herinnering aan die geur komt je onbetrouwbaar over. Je ziet die glimlach in korrelig zwart/wit, maar haar gezicht staat je niet meer bij.

De persistente herinneringen op deze plaat rennen rond in cirkels. De vreemde, uitnodigende glimlach probeert zelf wanhopig het gezicht terug te krijgen waarop het ooit verscheen. De herinnering probeert te ontsnappen aan zijn ontbindende zelf, aan de tijd waarin hij is ontstaan en aan het brein van de eigenaar van de herinnering, die hem onbedoeld richting afgrond van de vergetelheid duwt. De herinnering herhaalt zich om in leven te blijven, of om in elk geval als fragment van wat ooit een gloedvol, afgerond geheel was, bewaard te blijven. Dit is allang geen romantiek der nostalgie meer, geen lofzang op melancholie, maar een bittere strijd om niet op het kerkhof van herinneringen te belanden.

De ronddraaiende melodieën zijn symptomen van een ziekte, van het vergeten. Als geesten dwalen ze rond door het hoofd, door de tijd, ontheemd en losgelaten door de eigenaar. Ze vechten tevergeefs tegen een zwevend, van de levenslijn afgesneden bestaan. De brokjes herinneringen symboliseren de ruïnes van ons geheugen, ruïnes die, naarmate we ouder worden, steeds groter en aftandser worden. Mos overgroeit het poreuze steen, het instortingsgevaar wordt met de dag groter.

James Kirby, The Caretaker, laat op ‘Persistent Repetition of Phrases’ de odyssee van die dwalende herinneringsgeesten zien. Aangevreten stukjes dierbaar verleden. Wat die herinneringen zelf niet weten is dat ze hun bestemming, hun doel niet zullen bereiken. Ze vechten een verloren strijd.
Kirby zet ze in een grauwe dimensie neer, een decor van mistige klanken. Het sonische gruis en de vervormingen die de melodieën begeleiden klinken als stortregens en onweer, die op de herinneringen inbeuken. Het geluid benadrukt ons treurige voordeel: dat wij kunnen zien dat deze herinneringen het niet redden, misschien allang dood zijn, terwijl de herinneringen zelf onwetend blijven.
Het is een voorrecht deze tragiek van de herinnering, die zich in ons allemaal voltrekt, zo indringend te kunnen horen. Die ene glimp op te kunnen vangen van die stervende glimlach, en hem zo voor even te onttrekken aan de dood, aan het steeds groter wordende herinneringenkerkhof in ons hoofd.


2008 #02 - Arthur Russell

Arthur Russell – Love Is Overtaking Me

 

Arthur Russell breekt me altijd open. Als ik Russell’s stem hoor komen allerlei gevoelens boven, het stroomt er ineens uit. Ik kan het ook niet goed verklaren. Zijn geniale muziek, zijn multi-talent, zijn indrukwekkende levensverhaal dat veel te snel een einde kreeg... het draagt er allemaal aan bij. Maar bovenal is het Die Stem. Die weet me als geen andere stem tot tranen toe te roeren.

‘Love Is Overtaking Me’ is een verzameling countrypop die nog niet eerder werd uitgebracht. Nieuw te horen is Russell’s talent voor het vervaardigen van vrij spaarzame, ‘simpele’ pop- en countryliedjes, maar het is ontwapenend en eerlijk zoals altijd. Disco is hierop nauwelijks te horen, en ook zijn geliefde cello slechts af en toe (in ‘Eli’ zingt hij er een duet mee).
Van ronduit opgewekt (‘Hey How Does Everybody Know’) tot extreem melancholisch (‘I Couldn’t Say It To Your Face’): ook zonder de cello en elektronica brengt Russell met zijn gitaar en stem zoveel gevoelens over dat deze 21 nummers me bijna teveel zijn. Het moet in brokjes, op gezette tijden, genoten worden.

Het lukt Russell om lang na zijn dood – een dood die me door de grote output van ‘nieuwe’ muziek, bij het horen van zijn stem ,soms nog steeds onwerkelijk voorkomt – nog altijd zo ontzettend dichtbij, zo levend te zijn. “I couldn’t say it to your face, but I won’t be around anymore,” zingt hij. Hij is er niet meer en dat stemt me soms verdrietig als was hij een beste vriend, maar toch kruipt hij met ‘Love Is Overtaken Me’ weer zo dichtbij, dat het net is alsof hij volgend jaar gewoon weer een plaat zal maken, weer compleet anders maar ontzettend Arthur Russell.

Eigenlijk ben ik gewoon stiekem verliefd op Arthur Russell, op zijn weerbarstig mooie gezicht, zijn gevoel, zijn stem. “Don’t Forget About Me”, zingt hij herhaaldelijk op deze plaat. Alsof dat ook maar enigszins mogelijk zou zijn.


2008 #03 - Runhild Gammelsæter

Runhild Gammelsæter – Amplicon

 

Het is nauwelijks in woorden te vatten hoe gruwelijk en angstaanjagend deze muziek is. ‘Amplicon’ is een collage van geschreeuw, gekraak, elektronische dissonanties, sonische uitbarstingen, onheilspellende drones en folkmuziek. Het tart de oren en het verstand, lijkt een volkomen losgeslagen kudde geluid.

Als rode draad door de tien stukken loopt een soort hartslag, die zich onregelmatig door de kakefonie van geluid sleept. Wel, dat, en Runhild’s stem. Ze krijst en schreeuwt als Diamanda Galas, maar koert en fluistert net zo goed als een zuchtmeisje. De muziek – die ze geheel zelf schreef en opnam – is echter veel interessanter dan die van Galas. Ontregelender. De vele vocale lagen hebben iets onwerkelijks: je hoort tegelijkertijd litanieën vanuit de hel, grunts, lieflijke zang en cryptische, zacht gesproken teksten.

Het onheilspellende, nihilistische karakter van deze plaat doet me denken aan Nico op haar zwartst – niet in de laatste plaats door de topzware orgelklanken. Runhild’s universum is zo overvol, zo gelaagd, maar tegelijkertijd als geheel onontkoombaar zwart en bloedrood.
Ze legt op hetzelfde moment gruwelijk geluid en dreigende, nooit tot een climax komende drones en orgel op elkaar, dat weer gevolgd wordt door gesproken tekst dat achterstevoren afgespeeld wordt en weg-echoot. Ik weet nog altijd niet waar het te zoeken op deze plaat, want er eenmaal middenin is er nooit een nooduitgang te vinden. Runhild sluit je op in haar verwrongen, schizofrene wereld van alles én niets, van walging en bewondering.
De enige vorm van verlichting zit in de staart. Naarmate het album vordert trekt Runhild zich wat terug uit het lichaam van het beest, en lost ze op in één grote onheilspellende nevel. Geen kattengejank meer, geen duivels gekraai vanuit een hiernamaaks, maar een mysterieuze klankreeks van belletjes, echo’s, vervormde vocalen, hartslag, en donkere ambient-ondertonen.

‘Amplicon’ is een gestileerd braaksel van geluid, een orgie van misselijke schoonheid. Het muzieklichaam neemt iedere keer weer een andere vorm aan. Het brouwsel van schoonheid en lelijkheid blijft oneindig intrigeren, omdat ze niet zonder elkaar kunnen, in elkaar over vloeien. Het maakt ‘Amplicon’ tot een van de meest afstotelijke én begeerlijke platen die ik ooit heb gehoord.


2008 #04 - Fennesz

04. Fennesz – Black Sea
 


Fennesz’ debuut ‘Endless Summer’ is nog altijd een mijlpaal in de ambient glitch laptop folk, of hoe je het ook wilt noemen. Ondanks de harmonieuze popmelodieën die onder het gruizige geluid uitkomen, is ‘Endless Summer’ voor mij vooral een abstract album. Zijn tweede Touch-plaat, ‘Venice’, ervaar ik als zijn ‘popplaat’. Veel elektrische gitaar, kortere stukken die meer een traditionele song-structuur hebben. Maar beide platen zijn uniek, briljant.
Ondanks de vele muziek die Christian Fennesz uitbrengt, zijn het de Mego en Touch-platen die me als meest ‘officieel’ doen voorkomen, waar ik het meest naar uitkijk ook. Ze vormen de rode draad door zijn oeuvre. Een nieuwe Fennesz is een muzikale belevenis. Hoe ziet de hoes eruit? Welke ontwikkeling heeft hij doorgemaakt, welke muzikale afslag neemt hij?

‘Black Sea’ klinkt in eerste instantie als een logische opvolger van bovengenoemde twee platen: het is een volwassener plaat, minder rafelig en meer doordacht. Dat zou je ook ‘saaier’ kunnen noemen, maar het tegendeel is waar. Fennesz bereikt op ‘Black Sea’ qua finesse en subtiliteit een niveau dat hij niet eerder haalde.
‘Black Sea’ klinkt meer gefocusd dan ooit. Of beter: de focus is verlegd, van het kortere genot naar de lange adem. De lang uitgesponnen nummers houden hun geheim lang voor zich, zonder enkel om de climax te draaien. De verschillende elementen – het onrustige, opwindende, en de fantastische melodieën – voeren een rituele dans op.

Bijna elk stuk op ‘Black Sea’ vergt geduld en betaalt royaal uit, maar ‘Glide’ is de kroon op het werk. Onder de wassende glitchlaag evolueert tergend langzaam een prachtige melodie, die na 4 van de 9 minuten kans ziet door te breken en zich heel even in al zijn zonnige glorie te openbaren, om zich daarna weer af te laten zakken in de zee van geluid, in de golven die langzaam afstand nemen van het strand. Het einde lijkt stil te zijn, maar is dat nét niet. Al het voorbije echoot na, komt fragmentarisch nog even terug, zachtjes.

‘Black Sea’ is een grootse, gracieuze plaat die tijd en geduld (en een koptelefoon!) verdient. Fennesz heeft het rauwe van de glitch omgevormd van obstakel tot vervoerder. De melodie botst er niet meer op, maar vormt een symbiose met de humuslaag van geluid. Fennesz nadert perfectie.


2008 #05 - Jacaszek

Jacaszek – Treny




So Little

I said so little.
Days were short.

Short days.
Short nights.
Short years.

I said so little.
I couldn't keep up.

My heart grew weary
From joy,
Despair,
Ardor,
Hope.

The jaws of Leviathan
Were closing upon me.

Naked, I lay on the shores
Of desert islands.

The white whale of the world
Hauled me down to its pit.

And now I don't know
What in all that was real.


Czeslaw Milosz



Een neo-klassieke vertolking van een sluimerende apocalypse, of een nachtmerrie waaruit toch nog te ontsnappen valt? Componist Michał Jacaszek’s indrukwekkende ‘Treny’ doet me twijfelen, twijfelen. Ik kom er niet goed uit. Ik kan haast niet anders dan ademloos luisteren naar deze plaat. De gedachten dwalen wel, maar los van de muziek komen ze nooit, niet compleet. Strak gelijnde vliegers die mogen deinen, de wind mogen bewonderen en aan de vrijheid ruiken, maar nooit ontkomen. De muziek bepaalt, stuurt, dwingt.

‘Treny’ is qua productie erg ruimtelijk, maar heeft compositorisch iets hermetisch, iets claustrofobisch. Ondanks de organisch aan- en afzwellende strijkers, ondanks de mysterieuze lichtpuntjes aan de hemel – een trage beat die als de laatste hartslag afsterft maar schoonheid ademt, een melodie die zich even aan het strakke stramien ontworstelt, geluiden die een echo slaan in de ruimte…
Ze blijken een schitterend bedrog. Even geloof ik dat ik niet droom, maar daar klinken alweer dreigende voetstappen, fluisterende stemmen vanuit het schijnbare niets, en engelengezang dat geheel van buiten de muziek uit mijn ervaring lijdzaam begeleidt, vergeefs troost probeert te bieden.

Er is geen ontsnappen aan de grauwheid, aan de gruwelen die zich onder de pianoklanken hebben verstopt. Ze laten zich niet zien, maar je weet dat ze er zijn. ‘Treny’ drukt zwaar op mijn gemoed. Een indrukwekkend droefgeestig, bloedmooi modern requiem, dat me elke keer met meer vragen achterlaat.
Is dit echt? Is het een gevoel of een ervaring? Of beide? Jacaszek’s landgenoot Ceslaw Milosz brengt dat het beste onder woorden: “The white whale of the world / Hauled me down to its pit / And now I don't know / What in all that was real.”