<<Vorig Archief | Volgend Archief>>

Later

Al tijdens het samenstellen van de jaarlijst – wat in gepaste ernst en weloverwogenheid is gebeurd – bekroop me een knagend gevoel van zinloosheid. ‘Leuk voor later’ was uiteindelijk de enige reden waarom ik toch doorgezet heb (liefde voor schrijven en op reis naar nieuwe gevoelens natuurlijk ook, maar dat kan op vele andere manieren bevredigd worden). Maar of dat ‘later’ (wanneer is dat?) ook daadwerkelijk ‘leuk’ zal zijn, ik weet het niet. Ik begin er meer en meer aan te twijfelen. ‘Later’ komt steeds dichterbij, maar uiteindelijk bereik je het nooit want later is altijd later. Nooit is later eens nu.

Het is een haast obsessieve gewoonte van me om dingen – stoffelijk en niet-stoffelijk – te bewaren, vast te klinken in tijd of idee of te bevestigen (zoals in een jaarlijstje). Allemaal om herinneringen te kweken, ballast die ik met me meedraag voor dat rare ‘later’. Tien jaar terug was ik naïef genoeg om te geloven dat als ik zeventig zou zijn, drie-hoog achter wonend, al die herinneringen en tastbaarheden zou doorklieven. Op mijn dooie gemak, met de rust van geest van iemand van zeventig. Zeventig!* Right...

Mijn huis puilt uit van knipsels, papieren of schriften met daarin een enkel mooi woord dat ik niet meer kan vinden, onverstuurde brieven, geïnkte confessies, met bloed geschreven smerigheid, ongeopende enveloppen, nutteloze of zelfs defecte apparaten, kleding die afgedragen of te klein is, compleet met scheuren en brandgaten... En in elke hoek van dit huis levende ideeën die ik nooit zal uitvoeren, broeiende gedachten die ik liever in die hoek laat om morgen nog te verhuizen, om ze te vergeten... Allemaal voor dat ‘later’.

Dit stukje zelf valt waarschijnlijk ten prooi aan datzelfde lot: bedoeld voor ‘later’. Dat het jaarlijstje slechts voor gisteren was is me te weinig, ik wil meer dan dat, dus moet het ook voor een ander moment zijn. Het is nog steeds en leeft een eigen leven, aan mijn zicht onttrokken totdat ik het confronteer en om zeep help, de stekker eruit trek, het verscheur of verbrand. Of in de Leger des Heils-zak stop.

Wie weet wordt dit ooit ‘leuk’. Of begrijp ik tenminste waarom ik mijn verleden constant aan het reconstrueren ben, waarom ik dwangmatig opnieuw datgene tastbaar maak wat al is geweest.

* De statistische levensverwachting voor een journalist was, in 2002, 54 jaar.




2004 # 1: The Arcade Fire - Funeral



“When family members kept dying they realized that they should call their record “Funeral”, noting the irony of their first full length recording bearing a name with such closure.”

… Aldus de band in de begrafenisliturgie die bij de cd zit. Op voorhand lijkt het ironisch, maar nadat je de plaat beluisterd en doorgrond hebt is elke ironie verdwenen. Ik ken het bitter van lauwe koffie na een begrafenis of crematie, en alles wat samenkomt in zo’n situatie, alles wat door je hoofd schiet en wat er omheen draait. Onschuld verloren, verwonderd vanaf je geboorte, zoekende... opgegroeid, gehouden van en gejankt, leeg van onbegrip maar er bovenop gekomen... een droom armer en loden kennis rijker, doorgegroeid... Maar als tegen een betonnen muur gesmeten tot stilstand gebracht. 'Het was mooi, ja het was mooi. Wat wist X zich sterk te houden, wat hield X een prachtige voordracht. En dan al die mensen! De zaal zat vol. Veel meer dan ik had verwacht. Terecht.' En in de ruimte tussen de vingers van al die handen die de mijne schudden, tussen de van verdriet opeen geperste lippen die mijn wang zoeken, begint een buiten mij getreden wirwar van gevoelens en herinneringen een eigen leven te leiden. Een leven dat zich als een ontsnappingsportaal projecteert tussen al die handen, de betraande wangen en strak geklede gasten.

Ik ren erop af en duik erin, sluit de deur achter me en geef me over. Het is niet míjn dood die me hier bracht, maar alles wat ik ooit heb gedaan, gehoopt of nagelaten ondersteunt me als een stel krukken en brengt me in beweging. Het niet weten hoe te leven in mijn tienerjaren, wat later juist een ultieme vorm van leven blijkt te zijn (‘Neighbourhood 1-4’). Een doelloos dwalen, de knellende familiebanden, een zoektocht zonder dat je weet wat je zoekt, anders dan af en toe een schuilplaats, een uitgang uit het alles. Een klein onderkomen voor mij en misschien – liefst wel - voor de enkeling die ik duld (“And if my parents are crying then I’ll dig a tunnel from my window to yours. And since there’s no one else around, we let our hair grow long and forget all we used to know...”). Na momenten van perfectie, warmte en schoonheid (‘Une Année Sans Lumière’) omgangsvormen geleerd en de eerste trits teleurstellingen op zak en houden van... Het onvermogen om te houden van, het teveel houden van, het onbeantwoord houden van, de afkeer van houden van, het in ontkenning zijn van houden van, het houden van houden van en het niet weten wat aan te moeten met het houden van van die ander (‘Crown of Love’: “They say it fades if you let it, love was made to forget it. I carved your name across my eyelids, you pray for rain, I pray for blindness.”).

Het blijkt het ook niet helemaal te zijn en wat overblijft is altijd enkel jezelf. “Je hebt er tenminste van geleerd.” Misschien, maar dat wat je leert is lang niet altijd nuttig of in praktijk te brengen. Het enige wat even licht brengt in die duisternis is het omarmen van de desillusie en jezelf beloven voortaan met minder genoegen te nemen. ‘Wake Up’ is niet minder dan een volkslied voor een hele natie Gedesillusioneerden, een anthemisch kloppend hart onder de riem. (“Children don’t grow up, our bodies get bigger but our hearts get torn up. We’re just a million little gods causin’ rainstorms turnin’ every good thing to rust. I guess we'll just have to adjust…” En die ene laatste zin, die openbaring van berusting, met de hakken in het zand, echoot zo vaak na, maar vaak niet op momenten dat je het zo graag wilt horen. Dan kruip je terug naar het enige waarvan je weet dat het er is, je kleinste zelf (‘In the Backseat’: “I like the peace in the backseat, I don’t have to drive, I don’t have to speak, I can watch the countryside, and I can fall asleep.”)

Ik ben in mijn leven één keer aan de dood ontsnapt. Zo zie ik dat tenminste, en ik denk achteraf dat dat geen irreële duiding is. Maar van ‘mijn leven dat als een film aan me voorbij flitste’ was op dat moment volstrekt geen sprake. Eerlijk? Er was een deel in me dat berustte in een mogelijk einde, maar een groter deel wilde doen wat het kon om het einde te voorkomen. Die inspanning is niet mijn redding geweest, dat bleek uiteindelijk – hoe kan het ook anders – trivia, toeval. Maar het is goed om te onthouden dat die wil zich ergens in mij schuil houdt. Sindsdien speel ik zelf af en toe mijn ‘film’ wel eens af, want ik weet nu dat het in mijn dying seconds niet zal gebeuren; te druk met twijfelen, kiezen, niets doen of handelen. Soms steek ik er iets van op, soms brengt het me niets dan weemoed of droefenis, maar ik weet in ieder geval zeker dat ik in mijn laatste minuut niets heb aan de kennis of inzichten die ik dan nog verkrijg. Dus kan het maar beter nu. The Arcade Fire heeft het ook maar vast gedaan, en op hartverscheurend eerlijke en herkenbare wijze vastgelegd op plaat. Een compleet verhaal, een afgerond geheel waar alles in zit wat ik ken en wat ik nog niet ken. Als ze na deze plaat nooit meer een album maken zal ik het ze niet kwalijk nemen. Funeral is een levensloop, allesomvattend in dramatiek, romantiek en berusting, in liefde en haat, in leven en dood. Maar bovenal een debuut zoals een debuut moet zijn: verpletterend.




Susan Sontag, 1933-2004

"Though I am speaking about sensibility only -- and about a sensibility that, among other things, converts the serious into the frivolous -- these are grave matters. Most people think of sensibility or taste as the realm of purely subjective preferences, those mysterious attractions, mainly sensual, that have not been brought under the sovereignty of reason. They allow that considerations of taste play a part in their reactions to people and to works of art. But this attitude is naïve. And even worse. To patronize the faculty of taste is to patronize oneself. For taste governs every free -- as opposed to rote -- human response. Nothing is more decisive. There is taste in people, visual taste, taste in emotion - and there is taste in acts, taste in morality. Intelligence, as well, is really a kind of taste: taste in ideas. (One of the facts to be reckoned with is that taste tends to develop very unevenly. It's rare that the same person has good visual taste and good taste in people and taste in ideas.)" Notes on Camp (1964) Susan Sontag overleed dinsdag op 71-jarige leeftijd.



2004 # 2: Fennesz – Venice





Fennesz Venice Fennés Wennes... Voorganger Endless Summer had een passende titel, vol betekenis. Letters gebeeldhouwd uit de klanken van de muziek. Endless Summer heet Endless Summer omdat de muziek zich zo het beste laat omschrijven. Over die titel heeft hij vast niet lang hoeven nadenken. Die lag al besloten in het idee, bestond al voor de muziek zelf geboren was. En kwam eindeloos zomers terug op plaat. Nu doet ‘eindeloos’ de totale onbegrensdheid vermoeden. Het zet onzichtbare lijnen uit en reserveert alvast leefruimte in de toekomst waarbinnen de plaat kan voortbestaan en zijn dagen of eeuwen zal moeten slijten. Fennesz wist iets nieuws te creëren en het tussen al het bestaande te wurmen, waarmee Endless Summer een eigen plekje verwierf. Lukt het je om geboren te worden dan heb je gewonnen. Je beloning is altijd de toekomst.

Maar op één vlak is Endless Summer wel eindig. Hoe een mijlpaal ook, hoe geprezen en hoe invloedrijk, Endless Summer zit voor altijd vast aan zijn eigen thematiek. De titel is niet zozeer een omschrijving als wel een determinatie. Als de plaat naamloos was gebleven was hij ook wel opgepikt, maar die titel is het briljante duwtje in de rug. Een conceptalbum dus, in naam en in klank. Zonder naam geen concept, en zonder concept – zonder vooraf zorgvuldig opgestelde kleur en vorm – geen bestaansrecht. Geen geboorte. Het einde van de levensweg van Endless Summer is nog lang niet in zicht, maar het bestaan van de weg alleen al verraadt eindigheid. Bij geboorte gevoed door en vastgeklonken aan een thema. Een onveranderlijke identiteit die in zich meedraagt dat Endless Summer zal sterven als Endless Summer. Zoals ik als ik zal sterven. (Voor beide geldt: datum van overlijden onbekend.) Door eerst een bijzonder geslaagd maar in naam en klank geankerd album te maken heeft Christian Fennesz voet aan de grond gekregen, en zichzelf ruimte geschonken om opnieuw een plaat te verwekken: Venice. In ambitie net zo eindeloos maar ontdaan van thematische sturing. In naam volmaakt betekenisloos, hooguit een woordspeling zo slap als was. De muziek is schadeloos gesteld, afrekening op naam of thema is niet meer mogelijk. Zelfs de mooie hoes verandert daar niets aan. Een bootje, Venetië... duidelijke zaak.

Zo duidelijk en eindeloos is ook de muziek. Geen concepten, geen probeersels meer, maar een organisch geheel. Melodie en elektronica die hand in hand over het strand lopen tijdens de enige echte eindeloze zomer. Venice raakt me diep. Zo diep dat ik niet veel verder kom dan een abstractie (I am without speech, words are at loss), maar zo is het: het licht snerpende randje dat kleeft aan deze elektro-emo is mijn ultieme reset-knop. Het geluid stroomt bij me binnen en doet me mijn middelpunt terugvinden: Venice reinigt, maakt mijn hoofd leeg en schakelt mijn fabrieksinstellingen weer in. Terug naar de bron, de oorsprong. Het enige stukje oneindigheid in mij.




2004 # 3: Xiu Xiu - Fabulous Muscles



“Cremate me when you cum on my lips, honey boy place my ashes in a vase, beneath your work-out bench.” Fabulous Muscles

Begrijpelijkerwijs was dit in recensies en interviews de meest geciteerde zin van Xiu Xiu’s Fabulous Muscles. Ik ken er die vanwege deze zin en al wat het uitdraagt uiteindelijk afhaakten. Ook voor mij bleek die ene zin de crux van dit wanhopigste, smerigste, zwartste en meest romantische album van 2004. De warmte van mijn rode oortjes en blozende wangen steeg al snel naar het hoofd, of nee, spoelde door mijn lijf: omdat het zo ontzettend opwindend is. Omdat je eerste reactie is om die opwinding te keren, de kop in te drukken. Omdat het gevoelens van schaamte en schuld oproept, je meest smerige fantasieën naar boven haalt en je op sleeptouw neemt naar de absolute onderwereld. Jamie Stewart, moordenaar en pornograaf. Hij bedrijft doodserotiek en haalt het niet alleen uit zijn hart maar tot uit zijn tenen. Fabulous Muscles is de avant-garde van de Nieuwe Romantiek. Deze krankzinnige plaat belichaamt de diepte der diepten, de groep zelfverklaarde hopelozen die zich ritueel kapotmaakt met als motto – zoals Chris Ott van Pitchfork het ooit jaloersmakend treffend omschreef – “As long as you're alive, you're a liar.”

“I feel like I am not nice because sometimes, it is hard for me to think something happy about you.” Mike

De tocht door de ziel van Jamie Stewart is een ware nachtmerrie. Mishandeling, incest, moord, oorlog, wraak op je familie, homoseksueel sadomasochisme, infantiel wanhopige en onbereikbare liefde, zelfhaat. En met al die rotzooi schetst hij geheel bij kennis een huilend, weerloos, onmachtig zelfportret van de kleine Jamie die hij is, een baby’tje met zoveel pijn en onbegrip dat hij niet weet waar hij het moet zoeken. Het enige positieve op deze plaat wordt veelzeggend veroorzaakt door iemand anders, iemand die hem voor even zijn zelfmutilatie doet staken (Little Panda McElroy). En het gaat en gaat maar door, kermend op een golf van eens akoestische gitaar, dan weer oversture noise, zijn wanhopige stem en altijd die dissonante, vervormde manie. Is dat draaglijk? Is het invoelbaar? Is daar iets van begrip voor op te brengen, laat staan sympathie, in dit bloedbad van pathetie? Ja, bizar genoeg wel, en daarom staat deze plaat hier, sterk en fier. Ik kan me niet voorstellen dat Jamie Stewart, die eigenlijk in zijn eentje Xiu Xiu is, theater maakt. En mocht hij zelf ooit zeggen dat het wel zo was, dan geloof ik hem toch niet (leugenaar! vuile rotzak! hypocriet!) omdat ik het gewoon niet wil geloven. Want hoe vaak ik de plaat sinds ik hem kocht ook heb beluisterd, hoe vaak ik er ook over nadacht en hij me deed rillen, Fabulous Muscles is nog net zo ongemakkelijk om naar te luisteren als de eerste keer. Er treedt gewoon geen gewenning op, de schok, de opwinding, de lichte misselijkheid is nog altijd even sterk. OH!




2004 # 4: Mice Parade - Obrigado Saudade





Verbaasd? Ik wel. Behoorlijk zelfs. Samen met Juana Molina is de Mediterrane warmbloedigheid door Mice Parade goed vertegenwoordigd in dit lijstje. Bijna ongekend goed, voor mijn wereld. Ik hou net zoveel van warmte als elk ander, maar over het algemeen kan ik kou net iets beter uitstaan. Ik ben er simpelweg meer mee vertrouwd. Kou en kilte – ook in muziek – roepen onbewust nostalgische gevoelens op: ik kén het. Ik ben er vatbaar voor, maak het me snel eigen en neem de frisse duik. Het is een ritueel. Ik zeg niet dat het zaligmakend is, maar c’est ca. Ik kan kou van vroeger voelen, en niet zelden voelt het behaaglijk, vertrouwd. Gemoedelijke warmte ken ik, maar in vuur en vlam door een plaat, niet brandende melancholie maar goedmoedig, broeierig emotioneel... dat is zeldzamer. Die warme sensatie die door je lichaam schiet en al wat je associeert met warmte en liefde in muziek en in jezelf doet ontsluiten, dat je je laat bedwelmen en overrompelen. Ik heb het van binnen eerder koud dan warm. Minstens zo fijn – hierin geen goed of slecht, bovendien heb ik geen keus - en dat zal nooit verdwijnen. Kou oefent aantrekkingskracht op me uit. Waardoor ik een plaat die warm schijnt te zijn – gewoon gemaakt door een Amerikaan – snel laat liggen.

Maar ik verkeer in de gelukkige omstandigheid een mij zeer dierbaar persoon te kennen – iemand die die kou ook kent maar er toch niet zo’n groot liefhebber van is geloof ik, gelukkig - en het wél oppikt. Zo maakte ik al vrij vroeg in dit jaar kennis met Obrigado Saudade. Het was nog voorjaar en de winterkou circuleerde nog om mijn alles heen. Maar dat veranderde al na de eerste draaibeurt. En ik besefte dat, komende uit de winter, zo’n eerste warme plaat toch heel veel losmaakt en ruimte creëert, en dat dat toch ook wel noodzakelijk is, een deugd.

De warmte van Obrigado Saudade schuilt in de ‘menselijkheid’ van het geluid. Het is zulke eerlijke muziek, uit hart en ziel. Het gepluk aan de nylonsnaren, de akoestische gitaren die om elkaar heen draaien, verleidend, verlangend, de prachtig heldere drums, zoemende elektronica en de godzijdank niet overdreven kleuterig klinkende zang van Kristin Anna Valtýsdottir van Múm; het zit er allemaal in en wordt zo ontzettend fijn tot een warm nest gesmeed. Vloeiende melodieuze klanken die er niet om heen draaien maar zich in de kaart laten kijken, waardoor eerlijkheid ook eerlijkheid oogst en ik me gewillig laat ontkleden. Toe, kijk maar.

Ik dreigde dat meerdere malen te vergeten – in de echt hete zomer, in het najaar, in het nu – maar het gevoel van deze plaat bleef een constante. Zonder te overheersen maar sluimerend aanwezig, om op terug te vallen zelfs. Ik onderschat te vaak hoe waardevol het is verbaasd te zijn over iets waaraan je al voorbij gegaan bent, wat je als gepasseerd en weggezet beschouwt. Gevoelens als museumstukken. Dus ga nog eens terug, weg met vanzelfsprekendheid, leer niet altijd. Obrigado Saudade stroomt en ik laat het stromen, het bereikt minder vaak bezochte plekjes die half slapen. En maakt ze wakker zoals je op een zondagochtend wakker kunt worden – waar dan ook – loom, nog moe, maar voor even verbaasd tevreden en de storende droomflarden verdrijvend. En de zon...




2004 # 5: Efterklang - Tripper





Google: “Bedoelde je te zoeken naar: efteling” Nee. Maar toch bedankt.

De stap van Max Richter naar Efterklang is niet zo groot. Het neo-klassieke element komt overeen, alleen de zes Denen – op deze plaat aangevuld met het strijkende huiskwartet van Sigur Rós – zitten je veel dichter op de huid. Het is ongelofelijk hoe minimaal en ‘klein’ Efterklang klinkt gezien de ruime bezetting. Tripper, hun eersteling, is een geconcentreerde plaat die veel dwingender is dan The Blue Notebooks. De laatste kan verwaaien, laat meer ruimte om het eens een keertje licht op te vatten, om het half aan je voorbij te laten gaan. Dat zit er met Tripper niet in.

Het geluid is nauw en direct, onomwonden eigenlijk. Dat komt door de sublieme manier waarop Efterklang het klassieke tegenover het elektronische zet. De emotionele, allegorische strijkers en koorzang hebben over de hele plaat gezien de overhand, maar de elektronica is er altijd. In ritme en in knispertjes. Waar dat bij Richter een ijl dun laagje is, is het hier dwars, contrasterend en verstorend. Swarming, het tweede nummer is zo heerlijk schizofreen. Het tenentrippelende klokkenspel, een engel die zingt (ook al wordt hier in het Engels gezongen, het is bijna nooit te verstaan: schoonheid)... het wordt plotseling ruw doorboord door de Onbekende Ander, een duwende, confronterende synthbas.

Tripper piekt juist op die momenten, omdat het klassieke het niet op zich laat zitten. Vanaf dat tweede nummer wordt het album een strijd tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’, tussen de zacht prevelende en erotische stem van een schone Peter Pan [advies: ga niet naar de website, bekijk geen bandfoto’s, denk gewoon dat het Arthur Rimbaud is ;-) ] en het engelenkoor, een strijd tussen open en dicht. Het klassieke vloeit en is organisch, het elektronische stoot, duwt en verstoort. En in dat broeierige gevecht ontstaat een wonderlijke symbiose, de twee versmelten. Het is die heftige afwisseling tussen samenspel en contrast wat van Tripper zo’n passievolle plaat maakt. Ondanks Denemarken, ondanks de bevroren romantiek, ondanks december en ondanks de vrieskou.




2004 # 6: Max Richter – The Blue Notebooks



“February 10. Sunday. Noise. Peace.” (Franz Kafka)

Max Richter’s The Blue Notebooks is de spin in het web van wat ik gemakshalve maar neo-klassiek noem. Eerder een zwaar accent in muziek dan een op zichzelf staand genre, manifesteerde neo-klassiek zich dit jaar in volle hevigheid. In retrospectief werd voor mij neo-klassiek anno nu geboren in december 2003, met Systems/Layers van Rachel’s. Maar waar Rachel’s dikwijls het pad verlaat distilleert Max Richter precies de juiste eigenschappen die neo-klassiek anno 2004 (de ‘anno 2004’-toevoeging kan niet onvermeld blijven, elk jaar, elk era kent zijn eigen neoclassicisme) het dwingende karakter van een voorloper, een vernieuwer kunnen geven.

Mijn liefde voor muziek is gelijk aan mijn schrijverschap. De twee verwisselen gemakkelijk van plaats, soms heb ik het niet in de gaten. Ze komen voort uit hetzelfde en kennen de weg, ook de zijpaadjes, ook de doodlopende stegen. Soms maakt het schrijven plaats voor luisteren naar klanken, inspireert het een het ander. Als ik een stuk schrijf kan het zijn dat ik merk dat ik eigenlijk helemaal niet moet schrijven, maar onbewust op zoek ben naar klank, naar muziek. Honger naar muziek is niet altijd te stillen met taal, andersom ook niet. Maar beide veroorzaken dezelfde prikkel. Pas nadat ik geprikkeld ben kan ik bepalen of ik niet toch naar muziek wil/moet luisteren, of dat ik gewoon door moet gaan met schrijven. Naast hun oorsprong is er nog een overeenkomst tussen muziek en schrijven: melancholie. Luisteren of schrijven, beide zijn een oncontroleerbare drang die voortvloeit uit gevoel of weemoed, uit spaarzame scherpzinnigheid of banaal sentiment. Omdat de scheidslijn zo dun is, komt het niet zelden voor dat beide zich vermengen: bliss. Het hart van mijn gevoel is geraakt, zowel schrijven als muziek is een optie om het gevoel een gezicht te geven.

The Blue Notebooks is de perfecte samensmelting van die twee uitingsvormen (aannemende dat luisteren ook een uitingsvorm is). Deze plaat maakt geen onderscheid maar brengt ze bijeen. Richter maakt buitengewoon verfijnde, minimale neo-klassiek, opgebouwd uit piano, drie violen, twee cello’s en de stem van Tilda Swindon. Richter liet zich inspireren door The Blue Octavo Notebooks van Franz Kafka en twee teksten van Czeslaw Milosz, die onderkoeld worden voorgedragen door Swindon, wiens stem een rechtlijnig maar waarschuwend baken is in de zwierige muziek. Muziek die een baken nodig heeft om niet te verdwalen, muziek die door merg en been gaat, zo diep dat taal wel nodig is om je op de been te houden. Om je niet in huilen uit te laten barsten. Of toch...

De aanslagen van de typemachine die door de hele plaat klinken blijven stroperig kleven. Ze rekken uit totdat je ze niet meer hoort, maar je weet dat ze er zijn. Ze bieden houvast. The Blue Notebooks is voor als je schrijver bent, alleen in een donkere kamer, in een houten huis, een betonnen blok, mentaal kluizenaarschap, met regen die de ramen geselt en vermomd als inspirator je ogen en de wolken in je hoofd doet barsten.




2004 # 7: Juana Molina - Segundo





Ik trof haar voor het eerst op het vliegveld van Miami. Beide wachtten we op het vliegtuig naar Los Angeles, dat wegens een mechanisch defect acht uur vertraging had opgelopen. We raakten aan de praat. Op het buitenterras praatten we ons van de zwoele avond in de koele nacht. Ze sprak goed Engels voor een Argentijnse, en ze had iets onweerstaanbaar grappigs, niet uitbundig maar onderkoeld, tongue-in-cheek (ik wist uiteraard nog niet dat ze in haar geboorteland een gevierd tv-ster en comédienne was). Ze vertelde me dat ze gitaar speelde en liedjes schreef, en sinds enige tijd in LA woonde om daar een plaat op te nemen.

Het was al lang donker, de fles wijn was leeg. Binnen zouden we informeren hoe lang het nog zou duren. Onderweg naar de gate passeerden we een cd-winkeltje. Als vanzelfsprekend doken we beide naar binnen. Nonchalant tikte ze door de rijen Spaanstalige muziek en latino-cd’s. Ik deed hetzelfde. Plotseling staarde ze me aan. Vanaf een cd-hoesje. Rara. Ik keek haar aan over mijn schouder, ze zag me, maar zei niets. Ik besloot haar er niet naar te vragen. Zonder de cd te kopen verlieten we het winkeltje. Nog een halfuur voor boarding time. “Wat voor plaat wil je maken?” vroeg ik haar. Ze haalde haar schouders op. “Ik weet niet. Gewoon een plaat met mooie, warme liedjes. Intieme liedjes, liedjes van mij. Uit mij. Ik schrijf graag slaapliedjes, ik wil de schemer die we net op het terras zagen op plaat zetten.” Ze fluisterde maar begon sneller te praten, haar ogen werden vurig. “Die seconde van gelukzaligheid herhalen en herhalen. Liedjes die als een bries door je haar woelen of je gezicht strelen. Begrijp je?” Ik wachtte even. “Maar natuurlijk, ja, ik begrijp je,” zei ik vol overtuiging. Natuurlijk niet, dacht ik, natuurlijk begrijp ik haar niet. Al zou ik het wel graag willen begrijpen. Ik denk niet dat ik mijn onbegrip voor haar heb kunnen verbergen. We konden instappen. In het vliegtuig zaten we ver uiteen, instappen zou tevens het afscheid zijn. In LA verdwijnen mensen nu eenmaal heel snel. Ze glimlachte. “Je hebt een koele ziel. Goede reis, je hoort nog van me.” “Dat weet ik,” zei ik. Ik wist het allebei.

Segundo verscheen al in 2002 maar is nu eindelijk goed verkrijgbaar in Europa. Deze plaat was mijn tweede ontmoeting met Juana Molina, maar niet minder persoonlijk of warm dan de eerste keer op dat onbekende vliegveld. Ergens bovenop de langzame Zuid-Amerikaanse trommelritmes, de ijle elektronische klanken en haar akoestische gitaarspel ligt altijd haar stem als een fluwelen deken. Molina kan gekmakend Spaans fluisteren, prevelen en zingen maar blijft altijd frêle, zacht zelfverzekerd. Haar stem verbindt elektronisch experiment, akoestische singer-songwriter, postrock en blazers met zwoele Zuid-Amerikaanse folk, en is als de ader die de liedjes van het warme bloed voorziet en je in staat van hypnose brengt. Het roept soms de sfeer op van Savath & Savalas of Bebel Gilberto, maar het zijn vergelijkingen die schromelijk tekort schieten. Segundo is een totaal-folk parel met een dromerige, positieve inborst om intens blij van te worden. En warm, want net als een ijsblokje heeft een koele Europese ziel maar een enkele graad boven nul nodig om volledig te smelten.

[Deze recensie verscheen eerder op KindaMuzik]

Naschrift: Juana Molina zette haar naam pas dit jaar echt op de (Westerse) kaart, vooral omdat Domino haar platen uitbracht. Heel enkel zie ik Tres Cosas in een jaarlijstje staan, haar laatste plaat. Tres Cosas is meer coherent, een duidelijke keuze. Molina verfijnt daarop het geluid waar ze op Segundo nog slechts naar hint. Misschien is het omdat ik Segundo eerder hoorde, maar ook nu verkies ik die boven Tres Cosas. Omdat je op Segundo zo duidelijk hoort dat ze haar weg nog aan het vinden is, ze hinkt zo lief op twee gedachten. Twijfel is een groots verleider.




2004 # 8: Blonde Redhead - Misery Is A Butterfly

Misery is a Butterfly van Blonde Redhead gaat voor mij over wachten, over de (on)zalige plek tussen niets en iets. De band doet een sublieme Samuel Beckett en laat je Wachten op Godot. Als je wilt blijft deze plaat totaal onbegrijpelijk en surreëel, en ik heb er voor getekend. Zangeres Kazu vertelt en zingt en zucht en kreunt de wonderlijkste sprookjes. Er zijn spetterende lsd-hallucinaties, kleurexplosies, fantastische fantasie en elfjes, oh elfjes en magische bergen. Er is verleiding en waanzin, tovenarij, smerige blikken en je weet niet of dit nu de hemel of de hel is, of beide. Ik: Grote ogen, klapperende oren, open mond, vanzelfsprekend. Maar gooi je de knalroze deken van stuwende gitaren en vette synths van je af dan blijkt dat je beland bent in een ijl tussenland, gevangen tussen stilte en geluid. Je verlangt naar verlossing, vooruitgang, beweging en bent bereid daarop te wachten. Maar waarop wacht je eigenlijk? Wat valt er te verwachten van een plek waar niets anders is? En hoe lang kun je wachten? En kun je stoppen met wachten, ‘niet-wachten’, als het je te lang duurt? Het gaat niet! Het is gekmakend, een truc, en het is pervers. Een blik op de hoes zegt genoeg. Misery Is A Butterfly is de claustrofobische symfonie voor dat tussenland, het is een jagende koortsdroom, een déjà-vu die je doet hollen naar de uitgang. Maar die is er niet, want er is ook geen ingang. Maar je zit er wel mooi, en zekerheid is het laatste wat je hoeft te verwachten. Alles aan deze plaat is misschien. Kazu woont op een magische berg waar niets verandert en niets hetzelfde blijft. Amadeo zegt slechts een man te zijn die leert te vallen. Het is soms, bijna, wellicht, een beetje en onder voorbehoud. "I am what I am and what I am is who I am." Ik ben wel eens door sterkere woorden uit de modder getrokken. Het laatste mineurakkoord van Misery Is A Butterfly is hetzelfde als de eerste. Blonde Redhead heeft geleerd aan iets te bouwen zonder dat het af hoeft te zijn. Ze zijn bereid te wachten, afschuwelijk lang. Misschien is misère daarom wel een vlinder. Er bestaat geen vlinder die een rechte lijn kan vliegen, het is richtingloos bewegen. En toch kun je een fladderende vlinder niet dood noemen, hij leeft. Oneindig onvoltooid tegenwoordige tijd. Ik begrijp werkelijk niets van deze plaat, maar ben bereid te wachten.



2004 # 9: Jóhann Jóhannsson – Virdulegu Forsetar

“Is dit vanwege Bernhard?,” vroeg een collega me vorige week toen ik in mijn kantoor Jóhann Jóhannsson’s Virdulegu Forsetar draaide. Een even hilarische als confronterende opmerking. Toen ik kort daarop door een ander werd aangekeken met een blik van ‘tsja, als je dít soort muziek ook draait...’ realiseerde ik me hoe ver mijn beleving van deze plaat afstaat van het gevoel dat anderen erbij krijgen. Dat ik wel bekend ben met Jóhann Jóhannsson en mijn collegae niet is niet van belang voor wat het losmaakt. Het was ook mooi om de muziek in mijn werkomgeving los te laten omdat het – anders dan bijvoorbeeld gitaarmuziek of elektronica – geen automatische reactie uitlokt. Deze muziek moet eerst gewogen worden, aftasten. Unaniem kwam men tot de conclusie dat dit naargeestige, droevige muziek was. Vanwege de stellige consensus daarover zag ik af van een serieuze poging uit te leggen dat ik er een ander gevoel bij krijg. Ik leg me er zonder problemen bij neer. Het is dan ook niet bedoeld als provocatie als ik zeg dat dit veruit de meest positieve, hoopgevende plaat in dit jaarlijstje is. De IJslandse componist herhaalt één enkel motief van blazers, tuba’s en trompetten. Het zwelt aan uit het rommelende, dreinende niets, en verdwijnt daar ook weer in. Het mooie is dat je met steeds verschillende, aanhoudende tonen de stilte wordt ingetrokken, zonder dat je dat direct in de gaten hebt. Op dezelfde wijze word je ook weer bovengronds geleid. De stiltes hebben variërende lengtes en verschieten ook van kleur. Bovendien schakelt het het tijdscontinuüm uit. De plaat duurt ongeveer een uur, maar het lijken er altijd minstens twee uren te zijn. Ik heb meerdere malen gekeken of ik niet per ongeluk de ‘repeat’-knop had beroerd. De muziek zelf laat zich verder moeilijk omschrijven, dat wat het teweegbrengt even zeer, maar toch kies ik voor het laatste. In het begin had ik moeite met de Klank van deze plaat, die in alles positiviteit en hoop uitstraalt. Maar nu ik geleerd heb me er helemaal voor open te stellen (dat vergde behoorlijk wat tijd) stroomt deze muziek als een magisch elixer door mijn lichaam en geest. Het woelt, behaagt, haalt rotzooi omhoog uit de diepte maar laat niet na alles proper achter te laten. Het is muziek voor na de strijd, als het slagveld leeg is en je beduusd de schade taxeert en je verwondingen ontdekt. De cadet die zijn laatste adem door de trompet laat waaien... Vanuit het allergruwelijkste loopt maar een weg en die weg gaat omhoog, dat is wat Jóhannsson me op het hart drukt. Niet etherisch, niet pathetisch, maar stellig, zó vol zelfvertrouwen dat het bijna aanstekelijk werkt. Bovendien doet de plaat me qua gevoel enorm denken aan de mij zeer dierbare The Sinking of the Titanic, van Gavin Bryars. Ken je die plaat niet, neem dan maar van me aan dat hij niet klinkt zoals de titel doet vermoeden. Hij klinkt juist berustend, vol aanvaarding: een groot genereus hart. Op de achtergrond klinken de over het dek schuivende tafeltjes, glasgerinkel, de geluiden die bange mensen uitstoten. Maar de trauma’s zijn aan de kant gezet, vergeten zijn de nachtmerries en de pijn, het lot is bezegeld... en het klinkt vredig. Intens vredig. Of dat komt omdat de wetenschap dat de dood wacht uiteindelijk een geruststellende gedachte kan zijn weet ik niet, maar ik acht het zeer wel mogelijk. Overgave. “Jóhannsson klinkt alsof hij na een lang en gelukkig leven uiterst tevreden richting de hemel stijgt,” zei Bas (mijn dankbaarheid is oneindig!) me. Ik begrijp dat heel goed. Noot: Op internet las ik over de première van dit stuk in 2003 in de Hallgrimskirkja, een kathedraal in Reykjavik. Jóhannsson had de kathedraal gevuld met heliumballonnen die net niet helemaal opgeblazen waren. Tijdens het spelen van het stuk daalden ze daardoor extreem langzaam naar beneden, het publiek in... Adembenemend...



2004 #10: Junior Boys – Last Exit

Het is elk jaar hetzelfde: de muziek die ik in het begin van het jaar en in de zomer zoveel draaide gaat als het jaarlijstjestijd is gebukt onder een gebrek aan aandacht. Alles is veranderd, er is weer zoveel nieuwe muziek, tijd, yadda yadda yadda. Ik heb weinig platen die ik slechts aan één bepaald seizoen verbind (‘Ultieme zomerplaat! Februariplaat! Herfstplaat!”), en dat is maar goed ook. Dat ik Junior Boys tegenwoordig wat minder opzet ligt niet aan het jaargetijde, maar aan alles wat daarná kwam. Maar ik draai hem nog regelmatig, hij heeft een eigen, uniek plekje in mij gestreeld. Ik maakte hem me wel eigen in de zomer, toen de plaat uitkwam. Eerst thuis, zoals met alle platen, maar tijdens de vakantie in een broeierige slaapstad van München en het drukke centrum van Charleville-Mézières in Frankrijk merkte ik pas hoe diep mijn relatie met deze plaat geworden is. Met Last Exit kon ik me thuis elders wanen, en in het buitenland was ik ineens thuis. De loomheid, de subtiele ritmes, de in elektronica besloten nostalgie raakten een soort terra universalis, in mijn hoofd en hart. Dat komt vooral door de vele ruimte die deze plaat laat. Last Exit is geen ‘stille’ plaat. Het geluid echoot, synthklanken vervagen en gaan ongemerkt over in andere, of lossen op in een even zo subtiele verandering van ritme. De herhaling van samples is oneindig en gaat door als ik de cd stopzet. Luisteren naar deze plaat brengt me niet zelden in een staat van halfslaap, schemer, contradictie. Last Exit sust, hypnotiseert en beweegt zich volstrekt organisch. Eenmaal afgelopen herinner ik me verschillende passages, kreetjes, een enkele zin; ongrijpbaar, als hoe ik me een droom herinner. Gefragmenteerd. Ik heb mezelf voorgenomen om op dat ‘luisterniveau’ te blijven. Niet verder kijken, want dan zou ik er teveel ratio op loslaten. Ik weet en voel wat deze plaat doet, maar hoef niet te weten hoe. De plaat komt me daarin royaal tegemoet. Laag voor laag, draaibeurt na draaibeurt heb ik Last Exit ontdekt tot wat hij nu voor me is. Last Exit dringt zich niet verder op en aanvaardt dankbaar de manier waarop ik me er door laat vervullen– ook weer door de ruimte die het biedt voor eigen interpretatie, om eigen intieme verlangens te projecteren. Eén aspect zorgt er bovenal voor dat dit allemaal mogelijk is: de zang van Jeremy Greenspan, een singer-songwriter die één wordt met het omringende elektronische circuit. Zijn stem is androgyn, lijkt altijd te zweven, wordt robotik herhaald en is bovenal ongrijpbaar romantisch. In alles wat hij zingt of fluistert klinkt Verlangen door, craving. Hoe in hoogtepunt ‘Bellona’ een duwende, monotone bas ineens een einde maakt aan het ritme (ik ben dán al verloren en dans, weerloos) en een wereld vol oneindig verlangen ontsluit: “These days are getting longer...” Een onvervuld verlangen heeft het eeuwige leven, wordt niet omgebracht door vervulling. Last Exit is ultieme romantiek. En ik heb het nooit zien aankomen. Lees Omar Muñoz-Cremers’ briljante ontleding van Last Exit.




De drenkelingen - Jaarlijst 2004

De Heeren van de Goede Smaeck presenteren: de jaarslijsten van 2004. Samen met Droommachine: Sporenburg en Kosmik laat Het Dronken Schip de tien beste albums van 2004 nog eens de revue passeren. Maar eerst: wat was er nog meer in 2004? Wie vielen er net buiten de boot? Was er ook zoiets als een hors catégorie? Kortom, behalve de essentiële tien ook nog een staaltje namedropping waar je u tegen zegt.

Bewondering, vrolijkheid, bravoure, verbazing, waanzin, intense melancholie, knagend onbegrip, reminiscenties, hors catégorie: zie hier de drenkelingen van 2004. Een van de meest gestelde trivialiteitvragen is welke platen je mee zou nemen naar een onbewoond eiland. Een eitje! Was het altijd maar zo gemakkelijk... Het is voor mij geheel onduidelijk of ik ooit op een onbewoond eiland stuit. Ik heb al in geen tijden land gezien. Bij het pakken van mijn koffer begreep ik terdege dat een reis met Het Dronken Schip een enkele reis zou worden. De beste manier om me daar op voor te bereiden leek me om niet terug te kijken. Vóóruit. De tien platen die ik tussen mijn ondergoed, boeken en melancholie kon stoppen moesten zo recent mogelijk zijn.

Maar zelfs dat bleek al een (te) grote opgave, waar (te) veel tijd in is gaan zitten. Of: ik hecht teveel aan de platen die niet in de top tien gekomen zijn om ze als naamloze drenkelingen te laten verdrinken in draaikolk geschiedenis. In het schiftingsproces om op tien te komen lieten ze zich nadrukkelijk gelden, en met recht. Opdat ik niet zal vergeten, daarom, de moedige gevallenen van 2004:

Bewondering - Khonnor – Handwriting (Het Talent) - Bark Psychosis – Codename: Dustsucker (Schaduwwereld) - Björk – Medulla (Lef)

Vrolijkheid - Joy Zipper – American Whip (Blissss) - Annie – Anniemal (Joie de vivre) - Razorlight – Up All Night (Kietelende euforie)

Bravoure - Dizzee Rascal – Showtime

Verbazing - Superpitcher – Here Comes Love (De Valreep)

Waanzin - Frog Eyes – The Folded Palm (Schizo-litanie)

Intense Melancholie - Elliott Smith – From A Basement On The Hill (Tranenzang) - Interpol – Antics (De goede tweede)

Knagend onbegrip - Biosphere – Autour de la Lune Ik vind het een prachtige plaat, maar hij bleek simpelweg te zwaar om geheel te doorgronden. Op een gegeven moment stuit ik op een muur. Ik weet zeker dat daar nog meer achter zit, de muur zal ook geslecht worden, maar dat was dit jaar gewoon niet mogelijk. Als Bas het me maar vergeeft... ;-)

Reminiscenties Niet écht van dit jaar, Arthur Russell’s briljante Calling out of Context, en de heruitgaven van United States of America en The Zombies Odessey & Oracle.

Hors catégorie - William Basinski – The Disintegration Loops I-IV Dit is voor mij geen plaat meer maar een monument, een metafysische potpourri van klank, idee, gevoel. Hem rangschikken in een lijstje is hem schenden, terugbrengen tot proportie, en dat is nu juist met deze vier platen volstrekt niet de bedoeling.

Morgen nummer 10.




Vrijdag

Vrijdag

Toen we rollend en tuimelend over elkaar heen gleden op de dag dat alles anders leek De donkerste dageraad bleek onversneden wit in het spiegelglad

Hemels oranje, niet bestendig tegen dwarrelsneeuw en koffie-elixer op je lippen rees gestaag een niets verhullende vraag het me niet! Wit klieft aan de bomen toch zie je het niet

Wankel en weerloos verlies ik elke gedachte vrijdag is mijn dag waarop iedereen ondersneeuwt in maanlichtwaanzin Ik schreeuw om een volzin maar voel slechts een prikkel venijnig en warm verwrocht, verhit speeksel ontglipt je ik lach ik smacht naar een vrijdag onschuldig verdacht.




De paradox Wilders

“Veel Venlonaren vinden dat Wilders hun angsten vertolkt, zegt voorzitter Ger Biermans van de lokale VVD-afdeling. ,,Mensen hebben een gevoel van ongenoegen en angst, en Geert brengt dat perfect onder woorden.’’ ”

NRC Handelsblad, 13-12-2004

Al wekenlang is er geen ontsnappen aan het gekakel van Geert Wilders. Is er geen nieuws dan maakt hij het wel. Is het feit dat hij bedreigd wordt vandaag geen nieuws, dan laat hij zich wederom ontvallen dat het ‘geen pretje is’, maar dat hij manmoedig de ontberingen doorstaat. Heeft hij het idee dat we dat nu zo onderhand wel weten dan vraagt hij om een andere zetel, om het in concretis te benadrukken. Dreigt er een dag voorbij te gaan zonder oproer of boude uitspraak dan weet Wilders het late journaal, NOVA of Barend en Van Dorp wel te halen met een even stompzinnige als luide populistische schreeuw; wetende dat de ochtendkranten er hongerig naar zijn (aandacht), de middagkranten ‘de andere kant’ zullen belichten (aandacht) en dat dezelfde uitspraken zo – inclusief de voors en tegens - weer de avondjournaals en -kranten halen (aandacht). Wat hij ook heeft gezegd, het is alweer in een nieuwe context geplaatst door reacties, opinies, commentaren van voor- en tegenstanders. Nog nauwelijks bekomen van de ene bom heeft Wilders de volgende al klaarliggen. Het is een der simpelste principes van propaganda en media-exposure: nog voor het brandje gedoofd is weer extra olie op het vuur gooien. Dóór. En het hele circus begint weer van voor af aan...

Vanzelfsprekend is de kritiek op Wilders en zijn uitspraken vervolgens niet van de lucht. Ook die geluiden zijn gelukkig nog aanwezig. Maar iemand die daar nooit naar luisterde doet dat ook nu niet. Een aanhanger van Wilders calculeert die weerstand in, het hoort erbij en bewijst slechts het gelijk van Het Orakel. Als Wilders weer een onzinnigheid dumpt is de tegenreactie juist wat iedereen verwacht, óók zijn aanhangers, óók hij zelf. Het is nodig om het vuurtje te laten woekeren. Zonder tegenreacties en zonder kritiek geen bevestiging van het eigen gelijk, geen drang om ‘door te vechten’. Daarom komt zijn inmiddels fameuze ‘Ik blijf zeggen wat ik denk, en doe er zelfs nog een schepje bovenop’ zowat elke dag weer voorbij.

Zowel voor- als tegenstanders hebben een jerrycan met benzine in de hand en strooien kwistig met het brandbare materiaal. ‘De publieke opinie’ is dat wat er elke dag in de media is waar te nemen, en die opinie – beide einden van het spectrum – leeft op een streng dieet van aandacht. Maar aandacht is geen slanke snack meer, het is geen dieet. Aandacht – en de wijze waarop aandacht ingrijpt in de levens van mensen, in ‘de geest van de natie’ – is het hoofdgerecht van een waar bacchanaal, een Bourgondisch gulzig vreten en zuipen in een nacht die nooit ochtend wordt. Het is wachten op de kater...

Om van een verademing te spreken zou de Goden verzoeken zijn, ik houd het liever op een zwak flakkerend waxinelichtje in een oceaan – een heimelijk genot – dat nu ook Wilders’ aanhang duidelijke taal begint te spreken en kleur bekent. Er staat wel dat hij de vertolker van de gevoelens des aanhang is, maar dat kan hij alleen maar blijven als die gevoelens blijven leven. Angst en onveiligheid zijn de zaadjes van Wilders’ opmars en toekomstige carrière, en ook al kent hij de negatieve inclinaties van die woorden, hij zal de laatste zijn die die gevoelens bij zijn aanhangers wegneemt. Het zou zijn eigen ondergang betekenen. Het voeden van angst voedt tegelijkertijd het verlangen naar een betere wereld, een beter bestaan. En zonder verlangen geen extreme gedachten, zonder verlangen geen boude stellingname, zonder verlangen geen gang naar de stembus en geen rood ingekleurd ‘Groep Wilders’ vakje.

Ziedaar de paradox Wilders. Een vredelievend en veilig land is onbereikbaar, tenzij Wilders aan de macht komt, zo redeneert hij. Maar dat zal net zo’n utopie blijken als hij en de zijnen het wél voor het zeggen hebben. Want Wilders is slaaf van zijn eigen driften en onlustgevoelens, van de idee-fixe dat er gevaar dreigt. En gevaar – wat dan ook, waar dan ook, wie dan ook – moet worden afgewend. Wilders zegt onverdroten door te zullen gaan, angsten uit te staan en het volk maakt hem groter. Maar Wilders zelf gaat vóór het volk. Als de mensen hem laten vallen en niet meer dezelfde dreiging waarnemen als hij – een goed gevuld infuus relativeringsvermogen zou wonderen doen – wordt Wilders slechts kleiner, niet groter. Maar groter worden, nou... dat zou hij maar al te graag willen.




Enkel glas

Vannacht sinds lange tijd Oceansize’s prachtige Effloresce weer gedraaid. Dat bleek wel even nodig, want nu in december het jaarlijstje weer om aandacht schreeuwt bedacht ik me dat er dit jaar geen enkele vergelijkbare rockplaat is uitgekomen. Nu vind ik deze plaat dan ook redelijk uniek, maar van het soort volle, emotioneel geladen psych-rock heb ik dit jaar niets gehoord wat ook maar in de buurt komt. Of heb ik iets gemist?

Al mijn lampen waren uit, het huis was in ruste en sliep al, ik bijna. Ik was net voor de tweede keer toe aan ‘Remember Where You Are’ (”A single bite of cherry for you / Hold it in your arms / Jeopardise what little you have / See any further than your own faults / A single bite of cherry for you / And yours is not to question”) toen op het onzalige tijdstip de deurbel ging. Door het donker vond ik mijn weg naar de voordeur. Meisje/lang donker haar/vriendelijk. Mijn buurvrouw, die ik nog niet eerder had gezien. Hoi. Aangenaam. Of het alsjeblieft wat zachter mocht. Dat mocht.

Dit had ik nog niet eerder meegemaakt. Zó hard stond de muziek toch niet? Maar ja: dunne muren, geen licht dat het geluid verbergt, Oceansize. En overal enkel glas. Ik vrees mijn aanstaande energiejaarrekening...




The Heartless Cold Froze Everything



Friesland hangt al dagen in de mist, zoals meer delen van het land. Irriteerde het me eerst nog (licht! licht alsjeblieft!), ik begin er aan te wennen. Het maakt de overgang van de nacht en het ontwaken naar de dag soepeler. Alsof het nooit helemaal dag wordt, niet écht dag. En dan is het opeens al weer donker. Volmaakte halfheid zonder extremen. Wat mij betreft mag het nog wel een paar dagen doorvloeien zo. Al zal ik me later om diezelfde wens vervloeken, dat weet ik nu al.

Omdat ik elke dag – zowel naar als van werk – tegen de grote forensenstroom in rij, is de weg voor me altijd nagenoeg leeg. De drie rechte lijnen van woon- naar werkplaats (18 kilometer) vergen weinig stuurmanskunst. De mist hing vandaag vijf meter boven de weilanden. Laag kon je verder kijken dan hoog. Ik dacht aan niets toen ik op Radio 1 een interview met een Belgisch psychologe hoorde – ik luisterde niet. Ik keek slechts naar de mist waar ik doorheen snelde, de mist die woelde in mijn hoofd. Plotseling werd ik wakker geslagen door een eng helder klinkende gitaar, solo, even later een cello erbij. En toen die stem... The heartless cold froze everything”

De mist om mijn auto en op het land werd een zwart bekraste ijslaag waar ik geluidloos doorheen brak, zonder brokken te maken. De stem bleef zingen, ik bleef breken. Haar woorden dansten met de gebroken ijsmist en de mist in mijn hoofd loste op, ik was even heerlijk leeg. Ik brak door december tot het januari was, goddank!

Na vier minuten en twaalf seconden werd de hypnose verbroken. Het ijs werd weer mist, mijn hoofd vulde zich weer, ik brak niet langer maar trilde slechts. Ik weet niet meer hoe ik de derde rechte lijn naar mijn werk volbracht heb, en toen ik mijn kantoor binnenstapte leek het wel een nieuwe, vervelend normale dag. Alles was weg maar haar naam heb ik onthouden. Bedankt, Laura Veirs.




Scheurtjes in de werkelijkheid

Ze zijn nergens op terug te voeren, ze hebben geen betekenis. Ze zijn niet leuk, niet inzichtgevend, niet grappig, niet intens, niet pijnlijk. Ik weet niet wat ze zijn. Maar toch blijven ze terugkomen. Al weken lang, elke dag weer. Flarden uit nachtelijke dromen die overdag als een felle zonnestraal door de mist prikken, me voor even geheel verblinden. In een fractie van een seconde die tastbare realisatie die door je aderen stroomt en je vingers doet tintelen: ja, dit heb ik weer gedroomd vannacht.

Het zijn steeds dezelfde flarden. Een tijdschriftenwinkel aan het einde van een lange, hel verlichte tunnel waar X voor de gesloten deur staat, geduldig te wachten. Ik zie haar. Een vertraagde, stilstaande trein op een mij onbekend station met in hoogte verschillende perrons en een omroeper die steeds hetzelfde zegt. Een neon-reclamebord. En steeds weer diezelfde straat die ik niet ken, waar ik nog nooit ben geweest, maar die zo elke nacht weer wat meer vertrouwd wordt, waar ik me bijna thuis voel.

Het lukt me sinds een week om deze flitsen uit de nacht overdag even vast te houden als ze me treffen. Als ze me plotseling overvallen kan ik ze enkele malen herhalen, om er op te kauwen en om me eraan te vergapen. Want verder ben ik machteloos en kan ik niets. Hoewel ik ze nu ongeveer drie seconden lang kan herhalen – duizenden herhalingen in drie seconden – het blijft een verlammend effect hebben op mijn ontledingsmechanisme. Het is feller en duidelijker maar net zo onlogisch en niet van mij als de eerste keer dat het mijn bewegen overdag onderbrak. Ik kan me er slechts langer over verwonderen, een verwondering die voelt als die van toen ik nog een kind was. Het maakt me in ieder geval elke avond weer verlangen naar de roes van de volgende ‘overdag’, omdat ik inmiddels weet dat die flitsen elke dag terugkomen. Op momenten dat ik misschien wel het verst van dromen verwijderd ben.

De droomflarden trekken aan mijn visualisatie van het dagelijks leven, ze vervormen wat ik overdag zie met mijn ogen. Alsof dat wat ik voor me zie als papier wordt verscheurd, en er iets achter mijn beeld blijkt te zitten. Het zijn kleine scheurtjes in de werkelijkheid. Scheurtjes die voor even een andere wereld laten zien. Een dimensie die door de kiertjes zijn licht even in de mijne overbrengt, alsof ik door kleine kijkgaatjes mag gluren naar iets ongelofelijks. Maar aan welke kant van de scheur sta ik? Wie bespiedt wie?




Scheepsberichten

Alsof internet nog niet anoniem genoeg is; het gebruik van rss is enorm in opkomst. Ook Het Dronken Schip - moe van het vechten tegen onvermijdelijke klimaatveranderingen en in een vrijgevige bui - biedt vanaf heden een rss-feed, voor uw gemak. Daarmee hoeft u als bezoeker van Het Dronken Schip niet eens meer aan boord te komen om te zien of er nieuwe berichten zijn.

Heeft u al een rss-reader (of, en dat is zeer aan te bevelen, Mozilla Firefox, waarin een rss-reader is geïntegreerd) dan kunt u mijn url toevoegen of klikken op het kleine oranje xml-logo aan de rechterzijde van deze pagina, onder de links. Elke keer als ik een nieuw Scheepsbericht of een SOS aanmaak gooi ik een whiskyfles met daarin mijn boodschap overboord, die automatisch in uw reader tevoorschijn komt. Zie het als uw persoonlijke radar (geen sonar, dat zou betekenen dat ik definitief gezonken ben) waarmee u altijd een oogje in het zeil kunt houden. Kom daar maar eens om op een Schip met een roestige machinekamer en een kompas dat de weg al jaren kwijt is... Heeft u werkelijk geen benul waar dit over gaat, beschouw dit dan als het dronkenmanspraat dat u van mij gewend bent.

Maar blijf alsjeblieft ook gewoon aanmeren. Ik leef al tijden in onmin met de zeemeeuwen (geloof me, Hitchcock’s The Birds is kinderspel vergeleken bij wat zich hier ’s nachts aan dek afspeelt), en de wijze wind heeft genoeg te melden maar fluistert en zingt zo zacht dat ik het niet kan verstaan. De solitaire kapitein van Het Dronken Schip wordt graag herinnerd aan het feit dat er nog leven is op aarde.

[Noot: Voor de voyeurs onder u: ook met een rss-feed blijft wat er zich in de kombuis, in de bedstee en rond de emmer met koud waswater afspeelt evengoed aan uw oog onttrokken.]




It's the Melancholy, Stupid!

I want happiness I seek happiness To cause you happiness To be your happiness Ahhh...

Superpitcher, ‘Happiness’

Was 2003 voor mij het jaar van de neo-shoegaze, 2004 is het jaar van de neo-klassiek geworden. Eigenlijk is het de rode draad door al mijn favoriete platen van het jaar*. Hetzij een enkele onverwachte viool of cello, hetzij in ambient omgeven door ruimte. Het hoeft ook niet altijd een instrument te zijn, het is meer een gevoel, en hoe dat gevoel in ruimtelijke muziek wordt geplaatst. Met Pan*American, Biosphere, Efterklang, Fennesz, Harold Budd, Jóhann Jóhannson et al zou je dit het jaar van de drone kunnen noemen, maar iets van de roes, de steriliteit van die dikke troostende deken heeft plaatsgemaakt voor neo-classistische zuchtjes en prikkelende, zware orkestraties.

Neo is eigenlijk een misleidende kwalificatie, omdat het voor mij dit jaar juist refereert aan een ‘oud’, klassiek gevoel. Het is de implementatie van nostalgie, fluwelen weemoed, decembertranen en Romantiek in de voortstuwende stroom dromen uit de verlangenmachine van mijn tijd; de drone, de ambient, bliss. Ik wil niet meer enkel in slaap gesust worden, daar is het de tijd ook niet voor. Een aantal muzikanten heeft daar op visionaire wijze invulling aan gegeven dit jaar.

In één genre echter heb ik de implementatie van neo-klassiek echter volledig gemist en dat is de house, de schaffel. Ik was er zeer op gespitst, ik verwachtte ook uit die hoek een reactie, een teken – niet per sé van vooruitgang, maar van verdieping. De Vet Geluid-brigade marcheerde luid zingend langs me en is al te ver vooruit, ik heb de moed en de wil niet om aan te sluiten. Daarom keek ik nog meer uit naar Michael Mayer’s Touch. Juist hij zou me moeten kunnen bedienen, dacht ik. Maar Touch is een grote teleurstelling geworden. Alles zit er wel in, maar het ‘alles’ van vorig jaar is niet genoeg meer. Mayer lijkt haast wel de andere kant op te kijken en levert een dodelijk gewone plaat af. Mijn ontzag voor Mayer blijft onveranderd groot, maar ik vind dat hij voor het eerst de slag gemist heeft. Of luister ik niet goed? Vraag ik dan teveel?

Enter Superpitcher.

Ik ken Here Comes Love pas twee dagen, maar de eerste keer was genoeg om Het te Weten. Aksel Schaufler heeft een plaat gemaakt met twee lagen. De eerste laag bevat de essentials: de stuwende schaffelbeat, de sublieme bas, ‘hangende’ orgelklanken, piano, klokkenspel, mellotron. De plaat had af kunnen zijn, zo. Dansbaar, met het Kompakt-stempel er duidelijk in gebrandmerkt. Klaar.

Maar Superpitcher voegt de zo nodige x-factor toe, hij heeft brandende magie in vingers en hoofd. Hij verweeft op Here Comes Love alle ingrediënten tot een complex geheel van majestueuze gevoeligheid. Hier heerst het Grote Verlangen, dat in alle stilte het fundament waarop het drijft overschreeuwt, ontstijgt. Superpitcher daalt dieper en klimt hoger. De zijige stem ontrafelt het wollen beschermingsvest en legt droefenis, liefde en honger bloot, op zo’n dwingende manier dat je enkel ‘Ja!’ kunt uitbrengen. Alle sporen in deze groeven – soms dikke voetafdrukken, soms halfuitgewiste herinneringen aan sporen – leiden naar een epicentrum van een zwellend en bonkend hart van Melancholie.

Eenzaamheid, zorgvuldig overwogen frivoliteit, de blik wanhopig gericht naar boven, de niet aflatende zoektocht naar. Eeuwenoude én funkelneue neo-klassiek verbonden met de elektrische storm. Michael Mayer, it’s the melancholy, stupid!

* Binnenkort op dit Schip mijn beargumenteerde jaarlijst, van 10 tot 1.




Bureau

Wordt vervolgd. De nieuwe bureaucraten. Maak het uzelf gemakkelijk! TPG Post. Alleen als u meedoet! Gecontroleerde anarchie. Laatste Kans! Afdeling beveiliging en parkeren. Kerstmarkt. Waarom is mijn persbericht niet geplaatst? Tot Roem Gedoemd. Ik heb een voor u bestemde zending daarom helaas niet kunnen uitreiken. 485 cadeau ideeën. Here Comes Love. Te betalen vóór. X. Maximaal driemaal daags. RCA. We willen alle buurtbewoners erop wijzen dat we nog wel degelijk aandacht voor hen hebben en dat we met vele zaken bezig zijn. Ten Slechtste Gekeerd. Forsetar. Zo ben ik ooit in handen gevallen van The Village People. Onvoorstelbare hufterigheid. De Kleine Bosatlas. Vision 4 HRS E-240. De Foucault Hallucinatie. Bontekoe. Long Sing Chinees Specialiteiten Restaurant. Eenmalige uitkering aan huursubsidieontvangers. Note to self. Stop Aids Now. Roken brengt u. Waar bemoei jij je mee? Het Groene Boekje. (sic). Land van de zwarte kraaien. DRiemPapier. Aftakeling van een legende. Cul de Sac/Damo Suzuki. Opofferende Liefde. Heeft u problemen, feedback op het systeem, of moet er gewoon iets van uw hart? Wie ‘was’ jij? Nota van uitgangspunten bestemmingsplan buitengebied. Sylvie. 15.00 uur gemeentehuis. The Man Who Fell To Earth. TTDL. Jaarlijst. Douglas Coupland. Jaaroverzicht. Freaky groene ogen. Kinderrijmpjes voor achttien jaar en ouder... etc. etc. etc.




Nico

Nico. Nico is het eindpunt. Als ik ’s avonds (’s ochtends is onmogelijk) Nico draai – uiteindelijk is dat altijd The Marble Index, haar andere platen verbleken daarbij, hoe mooi ook – kan ik daarna niet iets anders meer draaien. De lust naar andere muziek vergaat me omdat er niets is dat het kan overtreffen, ondermijnen of verluchtigen. Als zo’n echte gestalte zijn kop boven de bruisende golven uitsteekt duw je hem niet terug. Niets wat ik bezit snijdt dieper dan die plaat. Ga maar slapen, na een tijdje, en hoop op een volgende dag. Het is dikwijls een zeer ongemakkelijke zit. Nico geselt en slaat dood, ze doorboort je en kruipt in je hoofd als de uit de hel teruggekeerde Engel des Doods. De gepaste stilte die na The Marble Index heerst is groots, hongerig en zwart.

Ik zie een tot haar elfde vrolijk maar ingetogen Duits meisje, Christa Paffgen, later een model, en nog later een ruïne van een jong mooi mens dat de weg kwijt is en het pad kiest dat haar wordt aangeboden, het pad dat zich aandoet. Ze sliep met Jim Morrison, Jackson Browne, Tim Hardin en Tim Buckley. In alle eerlijkheid: ik zou hetzelfde gedaan hebben. Wat moet je anders? Op The Marble Index leeft ze zich schizofreen uit op de toetsen en pedalen van een orgel. Uitleven? Doodsenergie zocht een weg door de verstopte aderen van haar ranke benen naar haar voeten om op het hout te stampen alsof het De Laatste Dag was, oncontroleerbaar en manisch.

Soms moet ik in de meest vreemde situaties denken aan Nico. Of, dan daalt ze even neer in mijn realiteit, mijn wereld. In situaties als er niets anders voorhanden is, als je met lege handen staat. Als ik een kraai zie, buiten, of meerdere. Of een zwarte kater die zich geheel anders gedraagt dan alle andere katten hier uit de buurt. Als mijn machinerie het geheel heeft begeven en ik – gereduceerd tot een vleesmassa - op de bank zit, in het donker en staar, in het donker. Als er niets meer is. Staren is het hier en nu verlaten, een diepgemeend vaarwel voorgebracht uit het onbegrip waar we me worden geboren maar ons leven lang moeten overwinnen. Dat is het einde, en het einde heeft een uitgemergelde kaaklijn, littekens op de armen en gitzwart haar, gitzwarte ogen. Je wisselt niet slechts een vluchtige blik af maar het einde kijkt je zó indringend aan dat het achter op je hoofd ongemakkelijk begint te jeuken. Niet krabben, niet krabben...

Stiekem – en ik permitteer me deze ene identificatie – denk ik dat Nico en ik elkaar heel goed zouden begrijpen. “Niet zo moeilijk doen! Je leeft maar één keer!” Nee. Na het leven is er genoeg tijd om ‘gemakkelijk te doen’. Nu kún je tenminste ‘moeilijk doen’. Dus doe het. Ik kan naar The Marble Index luisteren, ik kan het aanhoren en vervuld raken van deze plaat, omdat ik zelf nog nooit zo diep ben gegaan. En dat is geen ‘er is altijd iemand die het slechter heeft’-argument, pas op! De onpeilbare diepte kan ik me wel voorstellen, maar ik hang er nog op grote hoogte boven. Waarom dan toch? Om van het leven te leren houden zul je ook de tegenpool moeten begrijpen, omarmen. De dood hoort niet bij het leven, zoals zo vaak wordt gezegd. Dat is slechts een simpel adagium voor wie niet verder durft te kijken. Het leven en de dood liggen werelden uiteen, en opgesloten in The Marble Index kun je beide aanraken. Mijn vinger tegen de hare, mijn Engels des Doods. De dag dat ik één ben met The Marble Index zal mijn laatste dag zijn.




The Season of the Sunset clones

The Season of the Sunset Clones



Ziggy Stardust

[Het Dronken Schip verkeerde de afgelopen dagen in zwaar weer. Enkele van mijn matrozen sprongen uit pure wanhoop van boord, de weinige nog werkende techniek in scheepswerf blogspot weigerde dienst, en laat ik vooral mijn tweemaandelijkse ritueel van een glas wijn over het toetsenbord niet vergeten. Maar een Dronken Schip wijkt niet voor ijsschotsen, zandbanken, rode alcoholische decemberregens of andere banale obstakels.]

Ik heb al zes jaar lang een in tweeën gebroken Ziggy Stardust LP van David Bowie in mijn platenkast staan. Het is een eigenaardig aandenken geworden aan een zotte maar o zo fijne periode, en aan een even zo zotte en fijne vriend uit mijn studietijd. Een jaar lang leek het altijd zomer op zijn woonboot aan de Vecht bij Zwolle. Gitaarspelen op het terras op eindeloze middagen die eindeloze nachten werden. Vechten met de levensgrote zwarte gorilla van zijn huisgenote die als Symbool voor de Onderdrukkende Sterke Man onheilspellend in de woonkamer stond opgesteld. Na een in drank doordrenkte nacht vol confessies en kunst ’s ochtends halfzes in een roeiboot naar de spoorwegovergang om de forenzen in de eerste trein de stuipen op het lijf te jagen. Om vervolgens koffie te drinken bij een andere bootbewoner die we niet kenden maar het uit vriendelijkheid aanbood. De ochtenddamp boven het water en op de weilanden creëerde een geheim parallel universum, een Moonage Daydream.

Op die woonboot liet mijn Ziggy Stardust LP het leven. Van opzet was geen sprake; laten we het er op houden dat een ongelukje in een klein hoekje zit. Nadat we er tot tranen toe om hadden gelachen besefte hij wat hij gedaan had: hij een plaat van zijn enige grote held vermorzeld. Dat raakte hem toch wel. En mij ook. Hij was het tenslotte die me had ingewijd in de genialiteit van Bowie’s glam en de krankzinnig mooie Berlijn-trilogie. Ik besloot de plaat te bewaren. Ziggy Stardust gooi je gewoon niet weg, ook niet als het vinyl in twee stukken ligt. Ik heb hem nooit opnieuw aangeschaft, ook niet op cd (zijn aanbod om hem te vervangen is in de damp rondom de boot blijven hangen). Ik ken de plaat door en door en dat is soms genoeg. Dacht ik.

Tot ik nog zo’n Bowie-fanaticus ontmoette. Ze gaan soms wel erg ver in hun adoratie maar het zijn steevast heel aardige, goedmoedige mensen. En vrijgevig, misschien vanuit het besef dat Bowie hen heeft verrijkt en dat de rest van de wereld – mocht de wereld dat wensen, en wenste de wereld dat maar wat vaker! – dat ook kan ervaren. Zo werd hier vandaag een vinyl-pretpakket afgeleverd met Ziggy Stardust, Pin Up’s en Aladdin Sane.

Het mooie is dat ik mijn oude Ziggy Stardust niet hoef te vervangen. Die blijft in dezelfde slechte staat– met alle herinneringen en weemoed die eraan kleven – gewoon staan waar hij staat. Alleen krijgt hij gezelschap van een nieuwe, verse Ziggy Stardust. Een nog onbeschreven blad. Een die ik – ook al ken ik hem van voor naar achteren – zeker zal gaan draaien.