<<Vorig Archief | Volgend Archief>>

Tussenland

Met nog een fractie schemer in de lucht stapte ik naar buiten. Misschien was het ook al wel donker trouwens, ik weet het niet meer... als kleuter probeerde ik al het moment te herkennen wanneer licht overgaat in donker. Ik wilde die dagelijkse, stille omschakeling van dag naar nacht betrappen in zijn solitaire bezigheid, en een stok tussen de raderen steken: betrapt! Ik weet hoe het zit! Het is me nooit gelukt, al heb ik mezelf wel eens anders wijsgemaakt. Tegen beter weten in probeer ik het nu nog wel eens. Als ik meer in de predestinatie van de gang der dingen had geloofd had ik nu gezegd: ik had een voorgevoel, ik ben aan de hand van de schemer de duisternis in geleid. Zo moest het zijn. Maar daar geloof ik niet in, en gelukkig maar. Een klap komt harder aan onder triviale omstandigheden dan als mijn blik en de lucht om me heen en de dreiging die ik voel zich manifesteren. Dan kun je alles verwachten. Nu verwachtte ik niets.

Toen ik linksaf sloeg kon ik over het water kijken. Ik doe het graag en als het even kan dagelijks. Sneller dan het water stroomt constateer je dat je naar water kijkt en dat er niets anders is dan dat water, warmee de schuiven opengaan voor vrije gedachten. Heerlijke aaneenrijgingen van onbeduidende gedachten, halve gevoelens en zintuiglijke waarnemingen zonder duiding, zonder categorisatie. Zonder het weg te hoeven zetten. Het wandelritme helpt enorm om die hypnotische staat vast te houden. Waaraan ik heb gedacht is na afloop niet te reconstrueren, maar ik heb geleerd dat er in ieder geval veel gedachten van bevestiging tussen zitten. De schoenen die ik draag, mijn tred, de constatering dat water water is, lucht lucht... Het heerlijke bewust zijn van je onbewuste wordt langzaam een pantser dat om me heen hangt, impenetrabel en bulletproof.

Totdat ik ineens even moest gaan zitten. Ik heb het op die route nog nooit gedaan, het was ook geen besluit, maar ik zat al eer ik het goed en wel in de gaten had. Nog treden uitgekozen ook! Het pantser dat me op mijn tocht beschermde was van het ene op het andere moment veranderd in een dreiging. Het moment waarop dat precies gebeurde is net als de overgang van licht naar donker niet te achterhalen, het laat zich niet grijpen. Het pantser, mijn gloeiende cocon was ineens een wapen, de loop porde zich tussen het gewoel van mijn gedachten. Ik was weg en mensloos. Welkom in Tussenland! Wat als lucht niet lucht? Wat als water niet water, schoen niet schoen, jij niet jij, thuis geen huis, morgen onbestaanbaar, ik niet ik? Wat als?

Tijd.

En toen stond ik weer, liep ik weer, schoen lucht en water. Ik had weer timbre, had mezelf razendsnel hergecomponeerd naar ons model, het model dat jij en ik en de lucht, het water, de schoen begrijpen en herkennen. Waar we in wederzijds begrip ons ontstaansrecht aan verlenen. Rechts, de hoek om. Ach, het zoemen van de monitoren achter kantoorglas aan de Oostergrachtswal op een zaterdag, ik blijf het prachtig vinden. Dat was de kneep in mijn linkerarm, het teken dat ik terug was. Maar waarom was ik even weg, waar was ik geweest, wat betekende mijn ‘weg zijn’? Wie was ik toen ik –maar ik niet – opstond van die treden? Dat weet ik niet. Maar ik was wel voller toen ik het kantoorpand voorbij was, er was meer in me dan daarvoor. Ik ken angst – geloof me, in vele gradaties – maar de allergrootste was juist tijdens het doorstaan van de heftigste angsten nooit aanwezig. Het resultaat van jaren ritueel en trivialiteit, denk ik. Al die angsten en juist de grootste hield zich schuil, sterker nog; presenteerde zich als het tegenovergestelde, de Grote Verleider. Maar in zijn ware gedaante stak het in mijn borst tot ik weer thuis was, en steekt het nog steeds. Nu ook. En het is geen verleider meer.

Het voelt fantastisch om weer bang voor de dood te zijn.




Droombeeld

Droombeeld

Vanochtend toen ik nog niet wakker was maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar op gehoefde sokken het onheil binnen in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.

Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust. Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

[Droombeeld, Hagar Peters. Uit de bundel ‘Koffers zeelucht’ (2003, De Bezige Bij)]

Ook Hagar Peters was kandidate voor het ‘ambt’ van Dichter des Vaderlands, en god wat ben ik blij dat ze het niet geworden is. Daarvoor vind ik haar poëzie veel te mooi, en vooral haar toekomst te veelbelovend. Dichter des Vaderlands is toch een beetje een ouwe-lullentitel, een feestmuts die opa wordt opgezet als hij zeventig geworden is op een droevig verjaardagsfeestje met één vergeelde slinger, de lucht zwanger van frustratie omdat je de helft van de gasten liever nooit meer zou zien. Bovenal lijkt het me een roemloze carrièrewijziging die niets dan kwaads kan brengen. Het is een eindpunt, en niet een om trots op te zijn. Een onbeduidend klein deel van het volk dat hijgt in je nek als Hare Majesteit overlijdt of er een trein opgeblazen wordt: ‘pro-du-ceer Dichter des Vaderlands, en wel nu! Verpak onze gevoelens in rijm en zalf ons. Doe wat wij verlangen en doe het goed’. De professioneel azijnpisser en mediageile Gerrit Komrij – nooit te beroerd zich op te winden om niets – volbracht zijn termijn niet eens (zijn enige hoogtepunt was zijn opzegging). Driek van Wissen kende ik niet, maar van wat ik de laatste dagen van hem gelezen hebt lijkt hij me uitermate geschikt. Ik kan niets met de elitaire Zwagermannen c.s. die ‘schande!’ roepen omdat Van Wissen’s gedichten enkel rijmen, maar je moet toch toegeven, Van Wissen has got it all: Zestig-plus, liet pennen en postzegels drukken om stemmen te winnen, stemde enkele malen op zichzelf en komt graag olijk over... Gerrit Kouwenaar noemde het hele Dichter des Vaderlands-circus ‘een mal instituut’, en dat is het. Ik vertrouw erop dat clown Van Wissen daarvoor de komende jaren het ultieme bewijs levert, zodat deze tweede Dichter des Vaderlands de laatste zal zijn.




Lögmætar væntingar



Nog een plaat waar ik me bijzonder op verheug dit jaar, de nieuwe Sigur Rós. Het album wordt rond mei verwacht, het opnameproces is zo goed als afgerond. Op hun site Eighteen Seconds Before Sunrise zijn zeven foto’s geplaatst van de opnames. Op het eerste gezicht niet heel bijzonder misschien, maar ergens weten ze me toch wel te ontroeren; het contrast tussen die grootse, heftige en sprookjesachtige muziek, die altijd zo overweldigend is. En dan zo'n kleine studio annex rommelhok waarin die muziek wordt verwekt. Mooi beeld. Het zegt genoeg over waar ze het elke keer weer vandaan halen. Niet uit de studio, vrij van omgeving, maar uit hoofd en hart. Mijn verwachtingen zijn, zeker ook na het prachtige ba ba ti ki di do hoog. Maar ik weet zeker dat het lögmætar væntingar zijn, legitieme verwachtingen.

Met dank aan: http://www.hugtakasafn.utn.stjr.is/ (dat valt zowaar nog niet mee!)

[Deze foto alleen vangt niet geheel wat ik bedoel, dus kijk nog hier en hier. Zowel met Hello als Flickr lukte het me niet meer dan één foto in één post te plaatsen...]




Sticks and stones...

... En zo werden er door Joris en daVolgababe zomaar stokjes naar me gegooid! In mijn poging de herkomst te duiden ontwaarde ik een vriendelijk – doch op mijn Schip ongebruikelijke – geste. Ik liet ze op me afkomen, en ze liggen nu aan dek. Af en toe rollen ze wat heen en weer. De zee is betrekkelijk ruw de laatste tijd.

Dankbaar voor het gebodene, zeker. Niet zozeer met het kleinood zelf als wel met de warme begeleidende argumentatie waarmee ze me zijn toegeworpen. Niet eerder heb ik me zo ‘aan land’ gevoeld als nu. Alsof de stokjes van reddingssloep naar reddingssloep doorgegeven zijn, alle digitale schrijfvrienden in mijn nabijheid. Probleem is echter dat bijna elke sloepmatroos al op het stokje heeft mogen kauwen. Om van deze twee stokjes zes te maken om uit te delen is dan ook ondoenlijk. Drie is al een hele opgave (drie gelijke stokjes van twee maken, altijd lastig). Graag wilde ik ze uitdelen aan enkele opvarenden, maar ik zag dat ze het stokje al aangeboden hebben gekregen c.q. verwerkt hebben.

Ik zou er een vuurtje mee kunnen maken, ze als aanwijsstok kunnen gebruiken terwijl ik mijn oude landkaart bestudeer, of er mijn wekelijkse portie zeewiersop mee kunnen roeren (vrijdag soepdag!)... Maar ik heb besloten dat het maar kanonnenvoer moet worden. Kan ik meteen testen of die dingen het wel doen, want ik heb ze nog niet gebruikt (piraten versla ik doorgaans met het zwaard der rede).

Eentje heb ik gericht afgeschoten op Fluweel, een klein exotisch en beeldig eilandje hier niet ver vandaan. Omdat het gelijk een stralende ster vaak een helder baken voor me is om op koers te blijven. Het tweede stokje wordt afgevuurd richting Rotterdam, naar mad scientist Martijn, omdat hij me (onbewust wellicht) liet kennismaken met een prachtig naslagwerk, de Skeptic’s Dictionary. De derde bewaar ik nog even... in de verte zie ik een schip aankomen waarbij ik om de een of andere reden de associatie ‘De Nuchtere Fiets’ krijg ingegeven. Nee, nee wacht... het is de Zilvervloot! Wel, nog even geduld...

Goed, genoeg metaforiek en Brugman-praat: 1. Wat is de totale grootte aan muziekbestanden op je computer?

3,38 Gigabytes

2. Wat is je laatst gekochte cd?

The Dears – No Cities Left

(‘gekocht’ in de zin van betaald en onderweg)

3. Wat is letterlijk het laatst geluisterde nr voor je dit bericht las?

Sigur Rós – Vidrar Vel Til Loftarasa

4. Geef 4 nrs door die je heel vaak luistert of die veel voor je betekenen.

(pfff, slechts vier… goedemorgen dokter…) Scott Walker – Farmer In The City Dusty Springfield – If You Go Away Tortoise - Djed Steve Reich – Eight Lines

5. Aan welke 3 personen geef jij het stokje door en waarom?

Zie boven.




Het Treurige Beroep van Schrijver

Gérard de Nerval

 
 
"Zo kwam het dat ik mijzelf aanspoorde een stoutmoedige poging te wagen. Ik besloot de droom vast te leggen en er het geheim van te doorgronden. Waarom, zo zei ik bij mezelf, zou ik, gewapend met mijn wilskracht, niet eindelijk eens die mystieke poorten forceren en mijn gevoelens in bedwang houden in plaats van ze over mij heen te laten komen? Is het niet mogelijk dat aanlokkelijke, geduchte drogbeeld te temmen en die nachtgeesten die ons verstand voor schut zetten te vertellen hoe zij zich moeten gedragen? De slaap neemt eenderde van ons leven in beslag. Het verzacht het verdriet dat wij overdag hebben gevoeld, of de straf voor de geneugten die wij overdag hebben ervaren; maar ik heb nooit gemerkt dat de slaap rust verschafte. Na een versuffing van een paar minuten begint er een nieuw leven, bevrijd van de wetten van tijd en ruimte en ongetwijfeld vergelijkbaar met het leven dat ons na de dood wacht. Wie weet of er niet een band tussen die twee bestaansvormen bestaat en of het voor de ziel niet mogelijk is die nu al aan te knopen."
 
In navolging van de pakjes sigaretten, straks misschien de drank en - hopelijk - die asociale humvee-bakken zou elke pen voortaan een waarschuwingssticker moeten krijgen: schrijven is dodelijk. Is dat te confronterend of ongeloofwaardig wegens het begrip voorbij, dan toch tenminste: Schrijven kan u en anderen rondom u ernstige schade toebrengen. Of: Schrijvers sterven jonger. In plaats van een afbeelding van een verkoolde long zou elke pen vergezeld moeten gaan van het hartverscheurende portret van de Franse schrijver Gérard de Nerval. De Nerval (geboren Gérard Labrunie, 1808-1855) is het schoolvoorbeeld van hoe je als romantisch schrijver ten onder kunt gaan aan je eigen woordenstroom - een woordenstroom, een schrijven, dat ironisch genoeg ook het enige is wat je in leven hield. Het leven liet hem geen andere keus, tegen wil en dank verdwaalde hij in zijn Schrijfwereld. Hij schreef zichzelf naar het einde en toen de woordenstroom opgedroogd was liet hij zichzelf kansloos zakken in zijn eigen graf.
 
"Knappe man die mij uit mijn medicinale roes haalt," dacht ik nog toen ik me aan het laatste deel van De Nerval's Aurélia of de Droom en het Leven zette, vanavond. Spontaan was die gedachte niet, dat geef ik toe; de voorbije hoofdstukken hadden me er al van vergewist dat hij dat met mij zou doen. Het lag enkel nog aan mij: wanneer onderwerp ik me daaraan? En ik koos voor vanavond, voor nu (net), omdat ik op dat moment begreep dat ik het op dat moment begreep. En toen ik het boek dichtsloeg kon ik met tranen in mijn ogen enkel "Och... die arme, lieve man..." uitbrengen. Het waren - zo zag ik pas achteraf - nagenoeg dezelfde woorden die zijn vader sprak, toen die hoorde dat zijn zoon zich in de nacht van 25 op 26 januari 1855 van het leven had beroofd, verhangen: "Ah! Le jeune homme est mort!" en na enkele ogenblikken: "Ik zal hem erg missen, het was een goede jongen. Pauvre jeune homme!"
 
In het bij Privé-domein (Arbeiderspers) verschenen Het Treurige Beroep van Schrijver - een bloemlezing van De Nerval's novellen, romans, reisverslagen en correspondentie - is naast de door Proust terecht bewonderde en opgehemelde novelle Sylvie ook Aurélia opgenomen. De Nerval was een briljant schrijver met een briljant ongeluk; hij groeide op zonder zijn moeder, die - zonder haar ooit te hebben gezien - stierf in Silezië in Duitsland in de oorlog in 1814. De tijd zat hem niet mee (de revolutie joeg hem angst aan), de kranten waarvoor hij als journalist en toneelcriticus werkte verkeerden aan de rand van de afgrond. En in Italië verspeelde hij zijn geërfde, omvangrijke kapitaal met een literair tijdschrift dat niet van de grond kwam. Maar een ware zwarte romanticus kan zich niet neerleggen bij de gedachte dat hij geboren is voor het ongeluk; een postmoderne kijk op het leven was ondenkbaar. De Nerval tilde aan elke tegenslag even topzwaar.
 
Gérard de Nerval verkeerde niet in de slechtste kringen. Zo was hij goed bevriend met de vanaf 1831 in Parijs woonachtige Duitse dichter Heinrich Heine (met en voor wie hij een bloemlezing samenstelde), en schonk zijn baan als toneelcriticus hem een omgeving vol acteurs, kunstenaars en schrijver. Maar in 1841 manifesteerde zich voor het eerst de kwaal, de geestesziekte, waarvan hij pas met zijn dood verlost zou worden. Een psychiater, die de diagnose 'acute manie' (nu: manisch-depressief) stelde, achtte hem aanvankelijk 'te genezen', maar na slechts enkele maanden werd hij 'ongeneeslijk' verklaard. Het weerhield hem er niet van de vele klinieken en gestichten te ontvluchten en de wereld in te trekken; reizen was het enige waarin hij nog geloofde, het enige dat hem inspiratie kon bezorgen om te kunnen schrijven (lees, achteraf: om te kunnen blijven leven).
 
Maar waanzin heeft een broertje dood aan geografische grenzen en neemt snel bezit van De Nerval's zwaarmoedige geest. Wat rest een schrijver, compleet bezeten door psychotische gedachten, schizofrenie en gekmakende verliefdheid? Schrijven, inderdaad. En dat is wat hij deed. Aurélia of de Droom en het Leven is autobiografisch proza dat verbijsterend verslag doet van hoe De Nerval van de ene in de andere psychose tuimelt. Compleet verloren roept hij de sterren aan, is hij er ineens van overtuigd dat hij een geest, Napoleon of God zelf is, en in de maan ziet hij "het toevluchtsoord van de broederzielen", zij die na de dood verder zullen leven, om ooit terug te keren in de gezichtsuitdrukking van mensen, zoals hij zelf ook de doden ziet in de gezichten om hem heen...
 
Het is verbijsterend om te lezen hoe hij zijn helletocht door zijn eigen waanzin met zulke precisie en afstand kan beschrijven. Als hij beschrijft hoe hij in een oneindige val richting de aardkern geconfronteerd wordt met De Maagd Maria en Aurélia - een Vlaamse actrice aan wie hij zijn leven verbonden heeft, eeuwig onbereikbaar en daardoor eeuwig aanwezig, de entiteit die zijn ondergang aan waanzin aanzwengelde, hoe groot de kwelling! - hoe hij getuige is van de schepping van de Aarde en de Dingen, hoe hij ziet dat de Goden en de Necromanten vechten om een plek op deze aarde, hoe hij zich meer dan welke Franse romantische schrijver bewust is van de grootsheid van de kosmos, van de sterren, en van dromen...
 
"Nu houd ik op; het getuigt van te veel hoogmoed om te beweren dat de geestestoestand waarin ik verkeerde alleen teweeg werd gebracht door de herinnering aan een bepaalde liefde. Laten we liever zeggen dat ik er onwillekeurig de gevoelens mee opsierde van een diepere wroeging om een op een waanzinnige manier vermorst leven waarin het kwaad meer dan eens had gezegevierd en waarvan ik de dwaling pas inzag toen ik de slagen van het noodlot voelde."
 

Dromen... Dan valt eindelijk het magische woord. Veel te laat in dit stuk eigenlijk, maar dromen en de Droomwereld is wat hem tot zijn dood op de been hielden. De droom is een tweede leven. Zo begint Aurélie, en het vat goed samen wat hij met de beschrijving van zijn waanzin wil bereiken: de Droomwereld en de 'echte' wereld verbinden. Of: het verzwegen, onzichtbare verband tussen de twee aantonen. Want De Nerval is ervan overtuigd dat hij in twee werelden leeft: die van overdag, en die van 's nachts. Hij komt al snel tot de conclusie dat er twee mensen in zijn lichaam huizen, een kwade die alle perspectief en al het mooie onherstelbaar vernietigd heeft, en een goede, die zich enkel in zijn dromen manifesteert. Zijn dromen zijn een chaotisch Fantasia, wereldvreemd en psychisch verwijderd van wat wij kunnen begrijpen, dat het wel een andere, maar toch bestaande wereld móet zijn. Voor De Nerval bestaat er niets anders meer. Trekkend van land naar land, van gesticht naar gesticht, is het de ontleding van de Droomwereld en het aantonen van verbanden tussen dromen en waken wat hem op de been houdt. Deze wereld draait niet op dromen, maar zijn dromen en psychoses zijn wel De Nerval's laatste strohalm, zijn enig overgebleven onbestempelde strip op de rittenkaart van dit leven. En dus nutteloos, want met één strip kom je nergens meer tegenwoordig.

Geerten Meijsing noemde het werk van Gérard de Nerval in Vrij Nederland onlangs "kostbare porno" van een kleine kring echte liefhebbers. Porno, omdat bewonderaars het vaak zorgvuldig verborgen houden. Als je zijn roman, de novellen en zijn brieven eenmaal gelezen hebt begrijp je waarom. Zijn hele oeuvre is één grote dirty secret, en dirty secrets deel je niet met anderen. Die hou je voor jezelf. Meijsing windt er geen doekjes om: het liefst zou hij willen dat niemand anders wist van het werk van De Nerval. Na lezing ervan begrijp ik dat niet alleen, maar onderschrijf ik het ook. Niet uit hebberigheid, maar De Nerval's manische, lucide odyssee door zijn eigen waanzinnige en hulpeloze ziel gaat zo diep dat je angst voelt het een ander aan te raden; het aanraden zou wel eens meer van jezelf kunnen prijsgeven dan je lief is...

Ik laat het daarom bij een onverstaanbaar gefluisterde hint, in de hoop dat zoveel mogelijk mensen zijn werk zullen lezen.
En het net als ik voor zichzelf zullen willen houden.




Ik, Dorian Gray

Weet jij hoe je er uitziet? Hoe zie ik er werkelijk uit? Bestaat er één beeld van mij dat mij het beste weergeeft? Een evenbeeld van mij, op het moment zélf? De vele foto’s kunnen het raam uit, het zijn onbetrouwbare herinneringen aan iets waarvan ik maar aanneem dat ik het ooit was. Dat valt niet meer te controleren, en vertrouwen op is grond als een moeras, want het tegendeel is zo gemakkelijk bewezen... nee. Is het het gezicht in mijn douchespiegel, het beeld wat ik elke nieuwe dag als eerste zie – of beter, waar ik vluchtig met de ogen langs glijd– is dat een getrouwe weergave van mijn uiterlijk? Ik kijk ’s ochtends niet lang in de spiegel, te kort om het te duiden. En ook het gezicht dat ik ’s avonds in de spiegel zie, vlak voor het slapengaan, kan niet ‘mij’ zijn. Hoewel oog in oog lukt het me bijna altijd om mezelf op dat fragiele moment te ontwijken en niet in de spiegel te kijken. Met de ogen dicht grijp ik naar gerei en duik mijn bed in. Waarom zou ik ook kijken? Ik neem ’s nachts afscheid van de dag en van mezelf in het schemer van de woonkamer met afstervende noten en flakkerend kaarslicht. Om vervolgens stil de trap te betreden om mezelf niet wakker te maken.

Maar net daarvoor is er altijd die ene onontkoombare blik in de spiegel in mijn woonkamer. Een geschenk, die grote spiegel. Niet gekozen, wel gekoesterd. Het is de spiegel waarop ik het meest ben gaan vertrouwen, maar er is iets mee. Ik ken geen spiegel waarin ik mezelf zo oud aanstaar als die spiegel. Misschien ligt het aan het zwakke licht, het late tijdstip – overdag vermijd ik dit spiegelbeeld wijselijk. Maar sinds ik hem heb zijn mijn wallen groter gezwollen, zijn de groeven rond mijn ogen van twee tot vier (met uitschieters naar vijf) gegroeid – mooie, sterke lijnen overigens, ik zie ze graag. Maar altijd ben ik zeker twee jaar ouder in die spiegel dan ik ben. Of ben ik werkelijk twee jaar ouder dan ik ben? Dorian Gray’s beeltenis op doek werd steeds ouder terwijl hij zijn jeugd behield. Maar mijn spiegel is geen doek. Het is reflecterend glas, geen façade.

Wat is de meest getrouwe afbeelding van mijn gezicht? Bestaat die eigenlijk wel? De winkel- en autoruiten zijn het zeker niet, die zijn in het voorbijgaan te vluchtig. Daarin zie ik mezelf enkel hoe ik mezelf wil zien, of ik let dusdanig op één detail dat het geheel me ontgaat. Het voortschrijden van de tijd maakt een treffend zelfportret in spiegelvorm misschien wel onmogelijk. Zoals foto’s. Het ingelijste onvermogen om je eigen ontwikkeling, je eigen groei, je eigen evolutie waar te nemen.

Maar vandaag keek ik in een spiegel waarin ik nog niet eerder had gekeken. Ik bevond me tevens in een situatie waaruit ontsnapping niet mogelijk was, dus bleef ik kijken. En ik bleef kijken. Alle vanzelfsprekende karakteristieken van mijn gezicht zag ik; de twee littekens met een verhaal, de dagjesvlekken, de rimpels en groeven, de asymmetrie... Ik zag mezelf zoals ik me ken uit alle andere spiegels waarin ik ooit heb gekeken, maar er was iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Een onverwachte samenhang, een weerbarstige maar complete compositie, een vorm onherkenbaar de mijne.

Ik ben heel slecht in het onthouden van gezichten – laat staan mijn eigen gezicht – maar dat beeld van vanmiddag zie ik nog steeds voor me, en het brandt door, dieper in de herkenning. Aan de ene kant lijkt het me geenszins een betrouwbare weergave van mijn gezicht. Te vluchtig en te eenmalig, te uniek, beneveld door de gedachte dat middelmaat dé maat is; dit kán de waarheid geen recht doen. Want dat beeld van vanmiddag, wat ik nog meen te zien, ís al een herinnering, en niets onbetrouwbaarder dan herinneringen... Maar ik kies er weloverwogen voor om dat ene beeld als het mijne te onthouden, om het voorlopig bij me te dragen – al was het alleen al omdat ik het nog kan zien, turend naar dit scherm, turend in een vlam, turend in de duisternis.

Ik ben de ander. Lak aan wat de Dorian Gray-spiegel me zo laat zien, als ik ga slapen...




Een heilig verlangen





Ik kan me niet herinneren ooit zó te hebben uitgekeken* naar een album als naar Daft Punk’s Discovery, in 2001. Het was bijna gekmakend, compleet buiten proportie. Ik smachtte naar een nieuw levensteken van deze discoheiligen. Slingerend op de fiets, high. Dromend in een bushokje, fantaserend onder de dekens... In de platenwinkel als een dwaas bij het Daft Punk-vakje kijken terwijl je weet dat de plaat nog niet eens uit is... Homework (1997) was een ware openbaring voor me, veel meer dan ‘slechts’ een fantastische plaat. Naast de euforie en het ‘geloof’ in elektronische muziek dat het in me losmaakte effende het voor mij ook geheel nieuwe paden. Paden die me op de muzikale lijn net zo goed vooruit als achteruit deden gaan. To and fro... Ik heb op het gebied van muzikale beleving en algehele joie de vivre veel aan Homework te danken.

Toen eind 2000 langzaam kleine feitjes en weetjes binnensijpelden over De Tweede Daft Punk verslond ik het dan ook. Ik kocht tijdschriften van acht gulden omdat er vijf zinnen of minder over de twee schuwe Fransozen in stonden (‘Daft Punk werkt aan nieuw album’). Toen The Face – Omar schreef er eerder inhoudelijk over – in februari 2001 ook nog met het onaards briljante artikel over Daft Punk kwam was er geen houden meer aan. Ik weet nog waar ik die The Face kocht, op station Utrecht. De prijssticker zit er nog op, en vervaagt langzaam door de tijd, maar wel achter beschermend plastic: 15,95. “Encore une fois”. Het hek was van de dam. Niet alleen voedde ik mijn eigen verlangen om te verlangen, maar toevallig (want dat is wat het is, toeval) werkte Daft Punk daar nog eens stevig aan mee. De mythe rond hun voorkomen, de nieuwe plaat, de transformatie van mens in robot: pure geilheid. Seks.

En het groeide al snel boven me uit, mijn verlangen naar de nieuwe Daft Punk. In die zin dat het zeker wel met Daft Punk zelf te maken had, maar voor een gestaag groeiend deel ook met het genot dat je kunt ervaren met het wachten op iets. Het verlangen, alle energie die je daar instopt omdat je overtuigd bent dat het zich uiteindelijk zal uitbetalen. Op een manier die ongekend is voor je gevoelswereld, orgastisch. Iets waarvan je je bij voorbaat vergewist dat het je meer dan goed zal doen: dromen. En dromend was hoe ik geheel 2000 – het meest bizarre jaar uit mijn leven – heb doorgebracht. Achteraf net zo vaak tot mijn plezier als tot mijn spijt.

Mind over matter, dus. Het verlangen naar de verlossing werd groter dan het verlangen naar de nieuwe Daft Punk zelf. En dat was goed, heel goed zelfs. Want als het nieuwe Daft Punk album op dat moment – om wat voor reden ook – uiteindelijk toch nooit was verschenen, dan zou ik een dag lang ontroostbaar zijn geweest, maar had ik voor de rest van mijn leven nog altijd die periode van verlangen, kloppend in mijn hoofd en hart, de herinnering aan dat grootse verlangen alleen al. Dan had ik de volgende dag 10CC’s I’m Not In Love opgezet en was het net zo goed geweest. Zo passioneel verlangen naar iets is humanitaire zelfbevrediging, in de meest oprechte, eerlijke manier. Een ongekend positief signaal. Een cadeautje voor jezelf.

Discovery verscheen. De releasedatum was 13 maart 2001, maar – oh gelukzaligheid! – enkele dagen daarvoor lag hij toch al in de winkel. Gekocht op mijn verjaardag! Dit is niet het moment om inhoudelijk op Discovery in te gaan, dat is niet van belang. Ik kan in de verste verte niet zeggen dat mijn verlangen naar Human After All, het nieuwe Daft Punk album dat – wederom in ‘mijn’ maart – zal verschijnen, ook maar enigszins vergelijkbaar is met mijn verlangen van toen. Maar dit moest hoe dan ook geschreven worden vóór de nieuwe plaat uitkomt. Om niet te sterven in de verlossing, maar in de goedheid en schoonheid van het verlangen zélf. Lagere verwachtingen, even zo grote verlangens, grotere verlangens náár het verlangen zelf.

* ‘De nieuwe’ My Bloody Valentine daargelaten natuurlijk. Maar dat is ook niet meer ‘uitzien naar’, dat is geen normaal verlangen meer, dat is een eeuwige verlangensdroom. En ik denk stiekem steeds vaker dat ik maar niet moet ontwaken uit die droom... De droom is de nieuwe plaat, steeds weer anders, steeds beter.






Nick Drake

Een foto, een leeg glas, een snee, een krant, een glazen wereld en een tweede koelkast, onnodig... het vastomlijnde beeld met enkele karakteristieken zag ik nog, ik herinnerde het me op het moment dat mijn zicht nog een herinnering moest worden. An image rendering, waarheid in de maak. Toen ik wakker werd lag Nick Drake naast me.

Hij bewoog niet maar was klaarwakker. Naakt lag hij naast me, naakt als ik, logisch. Hij staarde strak naar mijn wit gesausde slaapkamerplafond. Beneveld door de geur van slaap en bed en onverschoonde lakens, in dit zoete ontwaken, besloot ook ik mijn mond te houden. Niet dat zich woorden aandienden. Maar de wil om iets te zeggen, een gedicht deinend op mijn zuchtende adem van de ochtend, was welhaast onweerstaanbaar. Maar ik kon het onderdrukken. En seconden verwerden tot minuten. Ik draaide naar links en kwam op mijn zij te liggen. Nick Drake lag stokstijf naast me, als een mummie in een sarcofaag maar met de ogen wijd open. Die ogen... ze priemden door mijn plafond, door de wolken die zich achter mijn gesloten gordijnen verborgen hielden, door de smog en mijn opgestegen dromen van vuilheid, door de stratosfeer...

Hij wist dat ik vol verbazing naar hem keek, indringend ook. Mijn blik gericht op zijn perzikkleurige wangen, zijn lippen vol onschuld maar zijn gezicht dat zwoor van onzichtbare rimpels die decennia aan wijsheid verhulden... Ik had hem op dat moment willen zoenen, maar nee... Als ik dat zou doen zou ik instemmen met een wel erg nadelige ruil. Een van mijn lullige secondes van onsterfelijkheid, in vlammen van verlangen en onbegrip opgegaan, met als overblijfsel de as van een eindige omhelzing van het niets. Inhouden en blijven halfslapen dus. Sterk en zwak zijn. Nick bleef onveranderlijk door de verschillende dimensies staren. Hij bezat die kracht omdat hij wist dat ik naar hem keek. Mijn scherpe blik gericht op zijn gezicht en ontblote schouders maakte hem levend. En zijn onzekerheid verzette bergen. Hoe was hij in dit bed beland, tientallen jaren na zijn dood? Geen van ons tweeën wist het. Zijn ogen groeiden van levenslust, even sterk als levensangst. Ik: ‘De Rivierman ligt naast me!’ Hij: ‘De volmaakt lege onbekende ligt naast me!’ Zo een moment zou oneindig moeten duren, maar dit schrijven is het bewijs dat het eindigde, ineens. “Als het een droom is kan het alles verduren,” dacht ik geheel onterecht.

“Big Star...,” fluisterde ik hem toe. Het waren de eerste woorden in mijn zwak verlichte ochtendslaapkamer, lange zwarte haren kleefden aan zijn lippen, grijze gordijnen. “Big Star...” Vraag me niet waarom ik dat zei. Nick deed dat ook niet. Hij draaide naar rechts en keek me aan, voor het eerst en voor het laatst die ochtend. In zijn ogen De Rivierman, in mijn ogen de volmaakt lege onbekende.

Het uitstellen van het knipperen met je ogen is een moeilijke, maar wil je blijven leven dan moet het er ooit van komen. En het kwam, ik knipperde en hij was verdwenen. En ik stond op met Nick Drake in mijn borst, zette koffie en begon aan een nieuwe dag. En al het voorgaande was voorgoed vergeten...




Twee dagen in drie uur

Twee dagen in drie uur van slaap gaap slik ik luister wijn werk kaars muziek slaap in willekeurige volgorde.

Ik werd vandaag de auto ingeslingerd door een windstoot op weg naar niets op weg naar niets kijkend naar de metertjes natuurlijk heb ik genoeg benzine en die andere lampjes – laat ze maar branden ik weet toch niet wat ze betekenen, en om de hoek nog een auto ik schoot er achteraan - schoot wat een raar woord toch schoot – enkel omdat ik ook die kant op moest. Ik waande me alleen en weende me uit de stad zoals ik eerder beende uit de stad maar sneller en de stad werd verzwolgen door windvlagen in de vette achteruitkijkspiegel, het is achter me, achter me en ik mocht ontsnappen verder gaan kijk niet om, ik was weer zeven.

Ik weende me vandaan toen ik haar iets hoorde vragen maar ik verstond het niet wat zei je zei ik ik verstond je niet en ze herhaalde haar vraag en ik gaf antwoord maar ik had haar stiekem (ssst!) opnieuw niet verstaan maar had toch geantwoord; dat kun je niet winnen. Ik neem het terug ik neem het terug zei ik ik wilde de vraag niet horen en zeker niet beantwoorden en haar stilzwijgen daarop was een liefdevolle streling over mijn warme wang een kruik onder koortsige voeten opium en met mijn hoofd in die zij gedrukt was ik weer dertien, eventjes maar en het deed me terugkeren in mijn vlakke zelf kalmte rust en het waaide zo hard maar ik woei niet en er waren media maar ik opende niet en het regende zelfs even – het regende zelfs even! – maar ik voelde het niet en ik werd ook niet nat, ik niet, wel mijn kleding ik niet, ik werd niet nat ik niet.

Er moesten dingen gedaan worden dus dingen doen was wat ik deed en toen de dingen die ik doen moest gedane dingen waren stond de dreigende blauwe machine klaar wantrouwend en omgeven door wankel wind regen hard maar als een machine van geborgenheid deugd en veiligheid, en ik was weer negentien. Wind tegen op de S10 maar mijn rechtervoet maalde er niet om – wat heb je aan terug als terug het hetzelfde is als heen – en ik zag de plek waar ik vijf jaar eerder een boom op mijn auto kreeg ik weet nog hoe ik slipte en banden verloor en niet huilde aanbelde de banden verving en diezelfde avond pakjes opende op Sinterklaasavond alsof voorgaande niet was gebeurd, niet gebeurd, was het wel gebeurd? De voortschrijdende tijd maakt het langzaam tot fictie.

Ik waande wederom weg uit niet-stad richting stad en onderuitgezakt op de achterbank weer die vrouwelijke vraag en ik zou wensen dat ik het niet verstond maar ik verstond het dit keer wel degelijk, ze bleef de vraag herhalen en ik bleef zwijgen waardoor ze de vraag bleef herhalen, en ik bleef zwijgen, ik was weer drieëntwintig. Links. Ik verstond het steeds beter en daarom antwoordde ik maar niet, niet antwoorden stil zijn nu stil zijn, de auto uitgeslingerd buren niet thuis mijn huis ingeduwd lichtknopjes aan oud-papierbak ontwijken ritueel lamp voor lamp achter schoenen uit kaars slik gaap.

Twee dagen in drie uur van willekeurige volgorde in slaap muziek kaars werk wijn luisterde ik slik gaap slaap.




Crafting Humanity





Mijn meest favoriete, hedendaagse visuele kunstvorm is de foto. Qua futurisme (zowel technisch als visueel) misschien voorbij gestreefd door video-art en digital-art, wat ik ook zeker kan waarderen, maar de foto... Een foto is toegankelijker (zowel qua verkrijgbaarheid als het nuttigen ervan). Ik kan vijf minuten naar een foto kijken, er naar staren, er doorheen kijken, er langs kijken, met een oog, of de ogen even sluiten en *klap* weer openen... Een film lijkt associatiever omdat het beweegt en springt van de ene naar de andere betekenis, van gevoel naar gevoel. Maar bewegend beeld – of dat nu een hectische video is of het betoverende minimalisme van Michael Snow’s negentig minuten durende, hypnotiserende kanteling van een camera – het is per definitie vluchtiger dan een foto, hoe mooi ook. En vluchtigheid ben ik – zeker de laatste tijd – liever kwijt dan rijk ben. Daarom juist wordt de foto steeds belangrijker, een stilstaand baken binnen een immer bewegende, visuele wereld. Met een foto is de beweging niet in het beeld maar in mij. Het is dwingender omdat het beeld blijft wat het is, maar er in mij van alles begint los te breken en te woelen. Bij een plotseling, onvoorzien ander gevoel of andere emotie blijft het beeld waarnaar ik kijk hetzelfde. Dat is confronterend, en dwingend. Nu alles steeds sneller gaat wil ik enkel langzamer, de tijd nemen. Overwegen en twijfel, ja twijfel.

Ik kan niet zeggen dat ik echt bovenop de hedendaagse fotografie zit. Ik ben geenszins een alleseter. Deels omdat ik een toegang tot het epicentrum van de fotografie ontbeer (al is Suds and Suda een zeer welkome handreiking). Maar ik leer wel steeds meer wat ik mooi of (ont)roerend vind, en waarom. Er staat al een aantal topfotografen en fotografes in mijn linklijstje die ik echt diep in mijn hart gesloten heb, en het is zeker de bedoeling dat lijstje aan te vullen en er dieper op in te gaan. De door merg en been gaande foto’s van Bas Jan Ader’s performance art, de onmenselijk menselijke portretten van Rineke Dijkstra, de universele tederheid van Sally Mann of het ijzingwekkend detaillistische mortuariumnaakt van Carla van de Puttelaar... Toen ik er jaren geleden mee in aanraking kwam - na eerst de toegankelijke want menselijk sensuele David Hamilton werd ik pas goed in het diepe gegooid met Bas Jan Ader, de Vader van de fotografische emotie die pijn doet - ontdekte ik dat fotografie een geheel nieuwe kunstbeleving bij me tot stand bracht. Een beleving die verwant is aan poëzie. Omdat het traag is, en traag mag zijn, en daardoor juist kans ziet dieper te snijden in datgene waar ik voel. Geen bombardement, geen abrupte messteek, maar langzaam, en dieper. Langzaam...

Margi Geerlinks is de laatste toevoeging in mijn linklijstje, en met recht; wát een toevoeging. In haar meest recente project, Crafting Humanity, geeft ze een angstaanjagend toekomstig beeld van de Maakbare Mens. Maar tegelijkertijd is het ook zo gewoon, zo nabij dat het bijna vanzelfsprekend is. Het is wat je van morgen verwacht, een morgen. Schokkend dat je in eerste instantie niet geschokt bent, ook omdat het zulke menselijke foto’s zijn. Maar kijk, en kijk nog eens. Nee; kijk langer. Naast dat het de lelijke schoonheidsobsessie van tegenwoordig blootlegt zit er ook onschuld en weemoed in. Conformatie aan de omstandigheden, wat kun je anders? Geen supermodellen, geen entertainers, geen irrealisme; geen geleefden maar levenden. Crafting Humanity is zowel een waarschuwing voor als een ledige verzoening met het morgen, het later, het straks. Perfect tweeledig en (on)menselijk




Gouden Geluiden

Ik heb het opgegeven. Nadat ik drie keer de boxen en bedrading ben na gelopen moet ik toch echt concluderen dat er niets aan mankeert. Alle connecties kloppen, rood op rood, wit op wit. Geen storing of haperingen, het klopt toch echt. Zijn het de nieuwe boxen? Die rare zwarte geluidsdozen, die ik in dit leven waarschijnlijk nooit meer zal vervangen omdat het 'muziekgeld' ook daadwerkelijk op gaat aan muziek, in plaats van aan apparatuur. Nee, ik mag ze soms dan wel verafschuwen, ze werken nog prima. Ook de naald van de platenspeler hoeft niet vervangen te worden. Hij werkt nog prima. Na een valse start heb ik hem goed afgesteld. De arm laat zich na een uur Jim O'Rourke en onderbroken door de digitale Joanna Newsom weer rustig zakken op zijn houder. Niet er naast, geen teveel aan zijwaartse druk waardoor de linkerkant van de groef overbelast raakt. Zelfs het gekraak is verdwenen.

En toch klinkt het de laatste tijd minder. Dezelfde muziek is veranderd. Alsof mijn stereo het geluid eerst door een Atlantische telefoonverbinding loodst, alvorens het in mijn kamer vrij te laten. Nuances zijn weg, pieken vlak geschuurd, grommende ondertonen kopje-onder geduwd. Niet bij nieuwe muziek, maar wel bij oude, vertrouwde muziek, platen waarin ik met graagte een stukje leven liet. Ik wist direct wat hij bedoelde toen ze me ooit een citaat van André Heller voorlas. Natuurlijk wist ik dat! De werkelijke schoonheid wordt verdrongen - en te kort gedaan - door het eigen ongemak. Ik ben het nooit vergeten. De allermooiste muziek is zo mooi omdat de luisteraar voor zichzelf de ruimte kan creëren om het mooi te laten zijn. Grote kunst is groot geworden en gebleven omdat diegenen die er zo gevoelig en ontvankelijk voor waren de waarde ervan begrepen en onderschreven, opzuigend en gebruikend voor zelfverrijking. Ook al blijft die zelfverrijking slechts bij een mooie herhalende gedachte of een diepe zucht gevolgd door een weke glimlach.

Niet alleen de muziek maar ook de woorden vervlakken. Het zijn allemaal ingrediënten van dezelfde levensdrank. Nostalgie bestaat niet bij de gratie van onvrede over de huidige levensloop, nee. Maar het wordt op die momenten wel gevaarlijker. Als de prachtige melancholie onuitstaanbaar wordt, is er iets aan de hand. Als de aaibaarheidsfactor van treurigheid tot nul gereduceerd is, wordt het menens. Ik verlang soms terug naar de Gouden Geluiden, klanken die ik van vroeger ken. Het geluid van liefde en mooi en verdrietig en intens en innemend. De glanzende geluiden die opborrelen uit het allerdiepste. Het geluid wordt nu afgestompt in de botsing met de ontvanger. Ik wil weer geheimen hebben, we hebben meer geheimen nodig! De euforie van dronkenschap in augustus. Maar het verleden laat zich niet in quarantaine plaatsen. "Is het een crisis of een ongekende verandering?"




Mijn plant (oneindig)

Mijn plant staat stil. Doodstil, ingeklemd tussen de boekenkast en de bank. De boeken in de boekenkast en de bank staan ook stil, ik zit stil op de bank. Maar de plant staat stiller. Door zijn takken heen zie ik Sexton, Puzo, Pirsig, Barthes. Grunberg en Kerouac, Cunningham en een een klein zwart stukje van de band van Melville. En zij staan ook stil, maar niet zo stil als de plant.

Van de boeken verwacht ik geen beweging, natuurlijk lijken ze met al hun letters tussen de kaften stil te staan. Maar als ik lang naar de boeken kijk, als ik staar, gaan ze toch bewegen. Hun lichaam of hun inhoud, zij of ik; maar beweging is er. Zo niet de plant. Als je bij een van de drie beweging zou verwachten is dat toch de plant. Bovendien staan er twee ramen open, heeft hij nog een restje water, en zucht ik in zijn richting. Al twee jaar oud trouwens, dit geschenk, mijn plant (Friesland - Politiebureau afd. Vreemdelingendienst, Zwolle - Centrum Zwolle - Leeuwarden).

De huilende Bas Jan Ader aan mijn muur trilt mee met de bas van David Bowie’s Low. Maar ook daar blijkt mijn plant ongevoelig voor. Roerloos eigenwijs. Sometimes you get so lonely. Ik zou een foto van mijn plant kunnen maken, maar eigenlijk slaat dat nergens op. Zijn stilstand zou juist gefilmd moeten worden. Uren, nee dagen lang. Zodat de bewegende boeken op de achtergrond, mijn eigen trillen, de bewegende bank en de sterren het bewijs zijn voor de onbeweeglijkheid van mijn plant.

In het voorbijgaan, wankel, naar de gesloten bar, blijkt waarom. Mijn plant heeft kramp, kramp tot in zijn wortels. Hij houdt krampachtig vast aan wat in niet-stoffelijke zin al verdwenen is. Verbleekte en gekrulde bladeren. Be My Wife. De bladeren, ze vielen toen ik hem per ongeluk aanraakte. Allemaal.




Voor jou en mij, 2005

Rust niet

De hemel kijkt niet in de bijbel, geen ster spelt de koran. Maar wie goed lezen kan ziet elke penning voor een zegen aan.

Ooit zat je in een kamer met een vrek. Hij was niet slecht, schonk lucht, serveerde stenen en proostte vrolijk al zijn charmes weg.

Ooit dronk je samen met een miljonair. Hij lachte hard, zijn blik stond goed, en goed was ook het geld dat hij voor grillen had.

Rust niet. Rust niet voordat je broekzak brandt van keiharde sterren. Belieg je bank. Sla ruggen stuk. Ga waar je grillen gaan.

Zie elke penning voor zegen aan.

Rust niet, van Menno Wigman. Uit de dichtbundel ‘Dit is mijn dag’ (uitgeverij Prometheus)