<<Vorig Archief | Volgend Archief>>

Eyes Bright Open





Er is de zwarte haarlok waarachter hij zich verschuilt. Uit ervaring weet ik hoe vervelend en kriebelig zo’n lok kan zijn. Maar hij schudt die lok niet naar achteren, wuift hem zelfs niet weg met zijn hand. Enkel tussen de nummers door strijkt hij zijn haren achter zijn meisjesoren. Een korte, vlugge beweging, beginnend met de wijsvinger die de loshangende lok naar achteren duwt, om het haar vervolgens met een soort krulbeweging met de overige vingers achter het oor te fixeren. Tevergeefs. Er is ook de extra aandacht die hij op zichzelf vestigt door vrijwel constant een sexy fragiele houding aan te nemen. Zijn tengere postuur is één, maar de manier waarop hij de schouders licht omhoog houdt en zijn ellebogen naar achteren drukt, de dunne armen er daardoor licht gekromd bij laat hangen; alles straalt kwetsbaarheid uit.

Dat is de ene Bright Eyes. Maar er is ook een andere, en het was fascinerend om ook die andere aan het werk te zien. De jongste op het podium, verreweg. Een jongen die rondom zich een band formeerde en tegelijkertijd op 1 en 2 in de Amerikaanse Billboard stond. Iemand die vergeleken wordt met de grootsten in zijn genre. Vergelijkingen waar ik weinig mee kan, hij ook misschien, maar ze worden gemaakt en met je verbonden; een grote geschiedenis én toekomst vastgelegd in een persoon. Ik weet niet wat dat met een mens doet, maar mocht het ook op het podium om regie vragen, dan deed hij wat er van hem verwacht werd: Conor had de regie, niemand anders.

Tivoli was niet erg vriendelijk voor Conor Oberst, die met band, blazer en ondersteuning van steel-gitaar op het podium stond. Of dat door zijn fysieke houding kwam weet ik niet (ik maak me weinig illusies over de receptie van het aura van het onbewuste door het merendeel van de bezoekers), maar de houding die hij op het podium aanneemt geldt voor alles aan hem. Voor zijn voorkomen naast het podium, voor zijn muziek, voor zijn kleine geschiedenis ook. Minstens de helft van de mensen die betaald had om hem te zien spelen – ik ook – was ouder dan hem zelf, en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat dat leeftijdsverschil ineens een rol speelde in de bejegening. Een jonger iemand, een Amerikaan nog wel (daar doen Nederlanders per definitie al sneller lacherig over, onterecht, want ze lachen slechts om hun spiegelbeeld), met een posto dat kwetsbaarheid uitstraalt... één jongen op het podium die zich wil laten gelden tegenover duizend ‘kom maar op!’ toeschouwers, dat is geen eerlijke strijd. Er werd teveel gepraat, met elkaar of in telefoons – met name tijdens de rustiger nummers. En er werd nog meer gepraat...

Het weerhield hem er niet van overzicht te houden, de leidende rol op zich te nemen en een prachtige, intieme versie van Landlocked Blues te spelen. En het weerhield mij er wonderwel niet van het gepraat om me heen buiten te sluiten en er een enkele minuut compleet in op te gaan. Kippenvel bij inzet van de blazer, kippenvel bij “I found my liquid cure...” Spontaan is de gedachte niet, dat kan ik toegeven. Maar wat ik voor het concert al wist, geldt nu nog meer. Haarlok, tenger, sexy, posto, regie... Ik schaam me niet om het genie te erkennen dat in een jonger iemand dan ik schuilt. Integendeel. Ik ben blij dat Conor Oberst voor altijd net iets jonger zal blijven dan ik.




Waarheid is een hartenbreker





Möbius-lus, M.C. Escher

... en god, ze logen wat af. Zij werd dronken van zijn leugens, en hij niet minder van de hare. Van nippen was geen sprake meer, de eerste teug al was een gulzige slok. Ze dronken van elkaar en morsten om het leven, zodat ze tot hun enkels in de natte leugens stonden. Dat plensde ook zo lekker. Hij zei haar eens dat je uiteindelijk toch altijd nat wordt, hoe goed je ook je best doet droog te blijven. Daarom kon je maar beter nat blijven en er de lol van proberen in te zien. En was die er niet eens dan deed je maar alsof (leugen!). Liegen is gemakkelijk en als iets gemakkelijks zoveel plezier verschaft, als dat het enige is wat de ander van je vraagt, vraag dan enkel om hetzelfde en geef en geef tot je leeggegeven bent.

Zij begreep hem niet waardoor ze zich snel aan hem hechtte en leerde dat dat hun gemene deler was. Ze deelde zijn gave om blij te zijn met niets en je te verlustigen aan onbegrip, het tot het hoogste genot te maken. De kern van hun samenzijn was dat ze elkaar níet begrepen. Er was enkel meer onbegrip nodig om het gaande te houden. Taal leent zich daar uitstekend voor en dat was dan ook het voornaamste instrument dat ze gebruikten om elkaar te strelen. Ze bestookten elkaar met betekenisloze zinnen, spraken in raadsels en beantwoordden vragen met vragen.

Ze waren niet vaak stil. In een gezamenlijke stilte leek de dreiging op de loer te liggen, leek de geluidsloosheid het van de spraak te winnen. Met woorden bouwden ze de muren van hun huis, een huis waarvan vierletterwoorden of kleine liefkozende lettergroeperingen de funderingen konden zijn die topzware begrippen of vreemde woordcombinaties en taalabstracties droegen. En buiten het huis om bouwden ze gestaag een geheel eigen wereld van taal als zinnenstreling en meesterlijk onbegrip. Ze leefden daarin volstrekt ongrijpbaar, voor anderen als ik, maar bovenal ontsnapten ze steeds aan elkaar, door bij elkaar te blijven.

‘Waarheid is een hartenbreker.’ Beide deelden ze laatst dit inzicht met me, toen het over was. Het werd stellig gedeclameerd, waardoor ik vermoed dat die woorden ook uitgesproken zijn maar dat er plotseling geen onbegrip maar begrip toesloeg. De details ken ik nog steeds niet, maar op de een of andere manier is er een zwarte waarheid tussen beide gekomen die de sfeer uiteen deed spatten. Maar ze vertrouwden me alle twee eveneens toe dat het de ander was geweest die daarvoor verantwoordelijk was. Het was over en ze bleven dus liegen, ook tegen elkaar, maar begrepen nu waarom ze dat deden. En belangrijker, waarom de ander dat deed en wat daar achter stak. “Het is hier blijkbaar niet mogelijk om daaraan te ontkomen,” zei hij laatst moedeloos. Het gebruik van het woord ‘hier’ deed me even vrezen dat hij naar ‘daar’ verlangde, maar hij lijkt zich er nu toch langzaam bij neer te leggen. Het was ook niet uit overtuiging maar uit naïviteit dat ze met elkaar de liefde bedrogen. Maar in hun beider hart rust nu enkel dat ‘waarheid een hartenbreker is’. En, waar of niet, dat zie ik ze spijtig genoeg niet tot een leugen maken.




Creditcard

Mijn creditcard is ingenomen. Omdat ik mijn bankpas weer eens in de RandomReader had laten zitten, en wel haast maar geen geld had, besloot ik met mijn creditcard te pinnen. Eerder gedaan, iets duurder, maar werkt altijd. Zo niet gisteren. Nadat ik taal en bedrag had aangegeven verscheen er op de automaat van de Postbank een mededeling: ‘Uw pas is ingenomen. Kijk op de bon voor meer informatie’. De bon las: “OM VEILIGHEIDSREDENEN IS UW PAS INGENOMEN. NEEM KONTAKT OP MET UW BANK.”

Ik liep meteen door naar de Rabobank, verstrekker van mijn creditcard. Misschien zou ik een woord van dankbaarheid moeten uitspreken omdat ik was behoed voor een terreurdaad of financiële plundering. Misschien was mijn kaart wel ingenomen zodat ik naar de bank zou lopen, waardoor ik niet zou zijn geraakt door een auto die op de automaat in zou rijden. Maar die lichte neiging om er een positieve draai aan te geven kon niet op tegen mijn argwaan. Ik voelde tijdens het lopen dat er in mij gewerkt werd aan een hele grote zucht. Ik bewaarde hem nog even. Bij de bank werden mijn gegevens doorgenomen, en de bankmedewerkster was helaas net zo verbaasd als ik. Mijn pas was niet geblokkeerd, de limiet was niet overschreden en er waren geen overige aantekeningen. Ook Interpay had niet aan de bel getrokken, dus van een ‘verdachte transactie’ was evenmin sprake. De schermen die uitsluitsel moesten bieden bleven leeg, en in alle systemen van de bank was geen reden te vinden waarom mijn pas was ingenomen.

Omdat het een Postbank-automaat betrof raadde ze me aan daar ook nog even te informeren. Bij het hoofdkantoor in Arnhem tastte men eveneens in het duister. Sterker, de mededeling op de bon van hun eigen geldautomaat kwam hen ‘niet bekend voor’. Wel kwam men nog met het onovertroffen idee dat er misschien nog wel geen meldingen in de bankcomputer stonden, omdat het nog maar zo kort geleden gebeurd was. Daarmee impliceert de bank dat de automaat geheel autonoom zélf besloten heeft mijn pas in te nemen, er eens lekker op te kauwen, en pas later een mededeling naar de banken stuurt over het hoe en waarom. Maar verder konden ze me ‘helaas niet helpen’. Ik heb maar niets teruggezegd… Kafka. Die grote zucht mocht er nu wel uit.

Intussen had de bankmedewerkster al een nieuwe pas voor me aangevraagd. “Want die oude zie je niet meer terug,” verzekerde ze me. En dus blijft het knagen; waarom is mijn pas ingenomen? Als de banken het niet weten, als de schermen wit blijven en mijn blazoen schoon… wie weet het dan wel? Zou de nationale veiligheid in het gedrang zijn geweest? Was het de AIVD, of een eerste digitale uitwerking van Donner’s snode plannen (‘go-go random suspicion device!’)? Wordt mijn pas ergens van verdacht, zonder dat er bewijs is? Zit mijn pas in voorarrest, of heeft hij misschien een meldplicht overgeslagen?

Het goede gezelschap dat woensdagavond dit verhaal aanhoorde zei zich inderdaad meteen een stuk veiliger te voelen nu ik geen creditcard meer heb. Dat vervulde me met dankbaarheid, ik hou me daar maar aan vast. Dat, en mijn rotsvaste overtuiging dat ik de wereld van de ondergang gered heb.




Vandaag leek alles al gezegd

Vandaag leek alles al gezegd, de stroom van woorden plotseling gekeerd. Alles was al eens begraven en bedacht, omstreden gefluister, geschreven omarmd.

Ik dacht dat het nooit stoppen zou, nieuwe woorden groeiden me van zelf aan. Het ontdekken en bedenken zó natuurlijk, dat ik niet weet hoe het morgen zal vergaan.




Belastingaangifte

Vaker dan eens in de twee, drie jaar zal het niet voorkomen. Ik zit er ook helemaal niet op te wachten, moet ik bekennen, maar vandaag – tussen de derde en vierde kop koffie en de ruisende storm buiten – werd ik getroffen door een zeldzame aanval van burgermansdrift en huisvlijt: in een vlaag van verstandsverbijstering ‘besloot’ ik (het moment van besluit kan ik me al niet meer voor de geest halen) mijn belastingaangifte te doen. Waarschijnlijk aangezwengeld door de stroom artikelen waarmee ik dezer maanden geconfronteerd ben, en die vanwege hun herhalende karakter – doe het doe het doe het! – me een dreigend toekomstbeeld laten zien; Doe het niet en je loopt straks weer achter de feiten aan.

Achter de feiten aanlopen, ik kan zeggen dat ik daar aanleg voor heb. Het vervult me ook dikwijls met plezier. In gedachten schilder ik een romantisch tafereel van een man die de randen van de georganiseerde maatschappij bewandelt, datgene laat wat anderen doen en andersom, zijn dagelijkse wereld vermengend met een droomwereld. Maar ook een man die er – uiteindelijk – net zo goed is als de mensen om hem heen. Ik besloot het dus te doen, zélf te doen en góed te doen, met alles erop en eraan: links de rekenmachine, voor me de Belastinggids van de Consumentenbond en een raadzaam ‘tips en trucs’-artikel uit NRC (al gebruik of begrijp je het niet, het zijn onmisbare gereedschappen wil je je in je aangiftebezigheid oprecht en serieus voelen), rechts een stapel opgaven en andere bescheiden die me voor aanvang nuttig leken om bij de hand te hebben. Chopin’s Nocturnes in de cd-speler om niet te snel van de kook te raken of de moed op te geven (leer mij mezelf kennen met al die cijfers en dat kille, ondoorgrondelijke belastingjargon), en een verse pot koffie.

Over het proces van het aangeven zelf zal ik niet teveel uitwijden, het is gegaan zoals verwacht: drie uren lang jezelf de illusie voorhouden dat je een goede daad verricht, dat je jezelf opruimt en nog begrijpt waar je mee bezig bent ook. De truc is er niet vijandig tegenover te staan, maar open: omhels je aangiftebiljet. De vele steekjes van onbegrip en – als je niet oppast – blinde woede over de anderslogica van het biljet en het instituut belasting zijn enkel te overkomen door jezelf af en toe kleine stootjes serotonine toe te dienen, door ‘elke penning voor een zegen aan te zien’, en trillende euforie van simpel genot uit zo een ambachtelijke bezigheid toe te laten: ‘Het klopt, yes! Koffie!’. Heb ik er dan uiteindelijk nog plezier aan beleefd ook? Met lichte schroom moet ik bekennen van wel. Maar dat komt vooral door de wetenschap dat ik deze krachtsinspanning de komende twee, drie jaar niet meer zal kunnen of hoeven leveren.




Koersk

“We kunnen er niet uit. Ik schrijf dit in het donker.”

Dmitri Kolesnikov, kapitein-luitenant van de Koersk

Tijdens het opruimen van een stapel krantenknipsels kwam ik enkele artikelen tegen over de tragische ondergang van de Russische onderzeeër Koersk, augustus 2000 (ik ben niet zo’n snelle archivaris). Van de rampen die zich tijdens mijn leven hebben afgespeeld is dit toch wel de indrukwekkendste. Want het wekt indruk, een onderzeeër van Russische makelij die aan de bodem raakt, een nucleair geheim aan boord, een in en in-Russische president die tot ons onbegrip niet handelt, uit kilte gewoonweg niets doet. Het spreekt nog altijd meer tot mijn verbeelding dan Tsjernobyl, Afrika, Bam, New York of de tsunami; omdat er geen beelden van zijn. Het is gebeurd maar we hebben het niet gezien. Je kunt enkel proberen zelf een voorstelling te maken van wat zich die zes dagen – met nog levende opvarenden – heeft afgespeeld op de bodem van de Barentszee.

Zo een voorstelling moet zorgvuldig geconstrueerd worden. Ik geef toe dat naarmate het langer geleden is de verleiding groter wordt om in eerste instantie te vluchten in het algemene portret van tragiek, of doodsromantiek (hoe krijg ik dit woord in de Van Dale?). Maar dat voelt nog altijd te makkelijk. Ongemakkelijk. “De macht heeft de Koersk te vroeg begraven,” kopte de Russische krant Segodnja na de tragedie, en ik denk dat de 118 bemanningsleden dat als geen ander beseften. Hun lot was levend begraven worden in bevroren water. Korrelige grond werd al over hun hoofden uitgestrooid terwijl ze nog in leven waren, naar adem happend misschien. En het lukt om ze te zien zitten, al enkele dagen in het donker, met elkaar pratend, levenstekenen krabbelend (zie citaat boven), huilend? De hoop opgegeven, lijdzaam maar bijeen.

It's cold, I'm afraid. The water is frozen, and slowly we’re dying. We won’t see the light again.

Matt Elliott – The Kursk

Explosions in the Sky wist deze tragedie al bloedstollend te verbeelden met ‘Six Days At The Bottom Of The Ocean’. Waar dit nummer meer een schildering is van de gehele situatie, kruipt Matt Elliott op zijn nieuwe album in de huid van de bemanning. Drinking Songs heet het album en dat is wat het biedt; zwierige en intens droevige nummers om mee te zingen, met de arm van een eveneens beschonken kroeggast om je schouder. De barman kijkt verveeld toe terwijl hij de glazen afdroogt, de felle lampen schijnen al maar niemand van de klanten die het nog merkt.

De dweperige, zigeunerachtige chansons van Elliott zouden voor mij ondraaglijk zijn om naar te luisteren als ze slechts door één iemand gezongen werden. Misschien voor hemzelf – bewezen niet vies van nihilistische treurigheid – ook wel. De ‘meezingers’ op Drinking Songs worden dan ook door meerdere mensen gezongen, en het is die samenzang die de nummers de droevenis voorbij tilt. Het is het soort samenzang dat troost biedt. Je zou wensen dat de tragedie met de Koersk Elliott niet heeft geïnspireerd om dit nummer te schrijven, maar andersom. Dan had de bemanning in ieder geval dit ene lied gehad om broederlijk en samen te zingen tijdens het sterven. Armen om schouders, Vodka-flessen aan lippen, mijmeringen over de dood aanstonds, denkend aan lief thuis.




In het voorbijgaan

Ik had al zeker twintig minuten gelezen toen sluitingstijd naderde. ‘Dichters van de avant-garde, de moderne Franse poëzie’. Aan de hand van 27 chronologisch geordende Franse dichters wordt inzichtelijk gemaakt hoe ze de poëzie voor altijd veranderden. Het begint met De Nerval, Baudelaire (‘À une passante’, ‘In het voorbijgaan’), komeet Rimbaud en Lafourge, en daarna volgt een stoet romantische dichters die vrij met vorm en inhoud experimenteerden, begrippen als kubisme uitvonden, en het surrealisme en dadaïsme (André Breton) een stevige impuls gaven. Ik had het boek al eerder gezien en toen laten liggen. Het geeft een fijn gevoel dat er ergens nog een boek op je ligt te wachten, waarvan je weet dat je het ooit zal gaan kopen als het moment er mooi genoeg voor is. En het bleek een ideaal boek om op zo een zaterdag aan te schaffen.

De verkoper scant het boek en kijkt op. “Jij bent zelf ook een in wording hè?,” vraagt hij. Zijn collega die achter de computer zit kijkt even opzij, beziet mijn gezicht en tuurt gauw weer naar zijn scherm. ‘Te licht bevonden’, lijkt hij te denken. “In wording? Een dichter?,” vraag ik. “Of een Franse dichter? Dat laatste gaat me in ieder geval niet meer lukken.” “Dan zou je moeten emigreren!” zegt hij. “Ik ben bang dat dat niet genoeg is,” zeg ik. “En wanneer ben je eigenlijk een dichter geworden?” De verkoper glimlacht even en doet het boek in een papieren tasje. “Goede vraag...” Goede vraag.




Introducing...



... The Son of the Silent Age. Mijn goede vriend Willem op zoek naar structuur, zij het vluchtig en naar eigen uurwerk. Zijn maidenpost is een liebeserklärung aan de Berlijn-trilogie van Bowie en Iggy Pop door de liefde ervan te verklaren. Een cut-up over onversneden liefde. Opdat de woorden van deze son of sound onregelmatig maar luid en duidelijk mogen meanderen...


Morgen maar niet

En dus ging ik maar weer zitten. Ik dacht aan een wenskaart die ik nog moest schrijven, dus pakte ik de kaart en ging ik schrijven. Zonder te weten wat ik moest schrijven schreef ik. Afleiding, en ik heb anders toch ook geen kasten aan mijn geschreven letters? Ik liep naar het raam, buiten was het licht, alsof er in het stadion nog gevoetbald werd. De kaart gooide ik in de afvalmand. Spijt, altijd spijt over een verspilde kaart. En ik verspil er nogal wat. Morgen maar een nieuwe kaart kopen (niet dezelfde)...

En dus ging ik maar weer zitten. Ik dacht aan mijn droeve grappen en waarom mijn droevigste grappen – inclusief plaats, datum en tijdstip – me altijd bijblijven. Niet bijblijven als een steen in je rugzak maar als een film geprojecteerd op een bioscoopscherm, na de hoofdfilm, als zij die de aftiteling niet uitzitten de zaal allang verlaten hebben, en ik enkel achterom kan kijken of er werkelijk, hopelijk, niet nog iemand aanwezig is die kijkt naar mijn droeve grap, geprojecteerd op het scherm. Ik liep naar de keuken, twee van de drie spotjes zijn al stuk. “Ik ga er morgen over bellen,” zei hij. Wat een grap! Morgen maar geen grappen maken...

En dus ging ik maar weer zitten. Ineens bevond het vermaarde, uitverkoren en heiligschennend schrijfboekje zich in mijn hand. Een pen in de andere. Ik dacht aan dat ik daar weer eens in moest schrijven – in die zo specifieke Schriftwereld, vooraf getrokken lijnen bevuilend tot de laag viezigheid de inkt doet verdrinken, oplossend in het moment van zonet. Maar er kwam niets. Ik liep naar het raam en zag dat het begonnen was te regenen. Morgen maar niet aan Schriftwereld werken...

En dus ging ik maar weer zitten. Ik wilde aan X denken dus begon ik aan X te denken, maar echt constructief of inspirerend waren die gedachten niet. Repetitie van afschuw en verlangen, het is een straf omdat ik er aan wilde denken maar er niet spontaan aan dacht. Het houdt je even gaande. Ik stond op, liep naar de spiegel en zag groen. Morgen maar niet aan X denken...

En dus ging ik maar weer zitten. Ik dacht aan hoe ik in plaats van al die onzinnigheden maar eens aan iets belangrijks moest gaan denken, en dus ging ik denken over consumptie. Hoe ik letterlijk misselijk word van al dat gekoop en geconsumeer en gerecycle, elke dag weer. Ik werk waarmee ik verdien, ik heb geld waarmee ik koop, ik koop waarmee ik voed, ik voed waarmee ik... waarmee ik wat? Sssshhht! Houdt het dan nooit op? Ik stond op, mijn strekkende lichaam deed mijn maag knorren, ik liep naar mijn afvalmand en zag dat hij nagenoeg leeg was. Morgen maar geen waar kopen...

En dus ging ik maar weer zitten. Na een tijdje niets ging de telefoon, en ik weet welke zonderling me op dit tijdstip nog durft te bellen, dus de afweging was simpel: wel of niet opnemen. Ik liet het gaan, stond op, en liep naar achteren, om te kijken of iemand me vanavond nog op mijn gsm had gebeld. De telefoon ging al niet meer over. Noem je dat proberen contact op te nemen? Morgen maar niet bellen...

En dus ging ik maar weer zitten. Ik dacht aan hoe lang ik al zat en aan dingen dacht, en dat enkel de tijd vooruitgang had geboekt, niet ik. Misschien zou ik eens een voorbeeld aan de tijd moeten nemen? De tijd denkt niet aan dingen om voorwaarts te kunnen bewegen. Intelligentie of denkvermogen zou Tijd slechts vertragen, en daar zit niemand op te wachten. Want wachten kan een eeuwigheid duren. En zoveel tijd heb ik niet, Tijd ook niet. Morgen maar niet denken. Morgen maar niet gaan zitten. Morgen maar niet denken...