<<Vorig Archief | Volgend Archief>>

In alle eerlijkheid

“De zelfgezochte stilte van een leven dat ongezien wordt geleid, staat in moderne ogen gelijk aan de dood. Het moet een soort depressie zijn: het is sowieso een blijk van angst. Een kluizenaar van de laatste dagen moet wel lijden aan zoiets als faalangst.”

Willem Jan Otten, ‘In zelfgekozen stilte’ (Vrij Nederland, 2004)

Soms lieg ik alsof het gedrukt staat. Of eigenlijk geschreven. Een leugen komt nu eenmaal veel gemakkelijker uit mijn pen dan uit mijn mond. Voor de duidelijkheid schaar ik ‘niet de gehele waarheid vertellen’ ook even onder liegen, evenals het in meer of mindere mate versleutelen van de waarheid. Anderen zullen hier hoegenaamd geen last van hebben, want de leugens of verhullingen richten zich vooral tot mezelf. Met het woord leugen bedoel ik ook niet zozeer feitelijk ‘liegen’ maar meer de oppositie van eerlijkheid; een deken die de naakte eerlijkheid zachtjes toedekt en verwarmt. Ik bescherm er mijn eigen eerlijkheid mee. Mijn gevoel zegt dat ik het tegen twee zaken moet beschermen; tegen mezelf en tegen anderen. Ik bescherm het tegen anderen wier intenties of benadering van je naaktheid en eerlijkheid immers vaak onbekend en schimmig zijn. Ik ontwerp een bij de eerlijkheid passend harnas, waardoor het zich kan verweren, of in ieder geval onaantastbaar kan blijven. Maar naast tegen anderen bescherm ik het ook tegen mezelf. Omdat ik mijn naakte eerlijkheid soms lelijk vind, pijnlijk om naar te kijken of aan te raken. Je stuurt je eigen kind niet naakt de deur uit, maar kleedt het.

Ik weet echter al jaren dat ik – zelfs de dingen die ik schrijf die ik nooit aan iemand zal laten lezen – soms ook toedek met een dun dekentje, of een harnas. In mijn verzameling geschreven eerlijkheden zijn de echte naakten zwaar in de minderheid; ze zijn op een hand te tellen. Dat komt omdat er ook bij wat ik enkel voor mezelf schrijf, altijd ‘iemand’ meekijkt over mijn schouder. Diegene die meekijkt, zo leerde ik ooit, ben ik zelf ook, maar het is een dieper verstopte ik. Het onderbewustzijn, een ander bewustzijn, het Superego... Geef het een naam. Maar het is een scherprechter, een registrator van mijn (on)eerlijkheid. Als ik daar naar luister – het steekt me soms licht – weet ik meteen wat niet geheel eerlijk is, doorzie ik mijn intuïtieve poging het te bedekken of in proza te verdrinken. Dat ik houdt me nooit tegen, maar wijst me er wel op dat ik door mijn eigen dekentjes en harnassen kan kijken. Ik kan daardoor in een zin de woorden lezen die ik niet geschreven heb, zien wat er niet te zien is. Een witte regel tussen twee alinea’s kan ik over twintig jaar nog precies zo lezen als nu, ik zal altijd onthouden ‘wat er staat’. En dat is blijvend, bovendien. De ik die meekijkt heeft een feilloos, niet-afnemend geheugen. Ik ken die ik niet, maar die ik kent mij wel.

Een goed gesprek over dit onderwerp bracht dit alles in perspectief en bleek een fijne, welkome handreiking. Ik moest daarbij denken aan een essay van Willem Jan Otten dat ik vorig jaar las in Vrij Nederland (15-05-2004), dat ik nooit ben vergeten. Otten raakt de essentie:

“Twaalf jaar geleden heb ik in het uiterste vooronder van mijn boot, in het pikkedonker dat daar altijd heerste, mijn naam geschreven, plus twee woorden die tezamen een verzoek vormden. Het heeft weinig zin om deze woorden te herhalen. Ze doen er strikt genomen niet toe, want terwijl ik ze aan de binnenzijde van de hechthouten scheepshuid kraste, wist ik dat ze nooit gelezen zouden worden. (...) Ik schrijf dit in mijn dagboek terwijl ik op Vlieland in een zomerhuis werk aan een toneelstuk (...) Ik weet dat deze woorden gepubliceerd gaan worden, dus echt dagboekdenken is dit niet. Hoe ik dagboekschrijf zult u nooit weten, want dagboekschrijven is: denken zonder aan publicatie te denken. Toch weet ik dat ik dagboekschrijvend wel degelijk aan een lezer, of beter: een lezend bewustzijn buiten mijzelf, denk. Dat is ongeveer hetzelfde Brein als waarvoor ik de twee woorden voorin de boot heb geschreven. Ik houd van dit brein, ofschoon ik het ook vrees, en het helemaal niet ken. Het kent mij, en sinds ik dat begin te begrijpen, is het een persoon.”

Otten vervolgt in zijn essay met dat we ‘de gestalte van de eenling die zich in afzondering volledig wijdt aan iets dat geen mensenogen veronderstelt’ zijn kwijtgeraakt tegenwoordig. Kwijtgeraakt omdat ‘het ware, moedige leven vereenzelvigd wordt met gejureerd worden, op de televisie op een stip gaan staan in de hoop gezien en ontdekt te worden’. De contemplatieve eenling belichaamt volgens Otten een ‘aanstootgevende lafheid’, omdat hij zich onttrekt aan het grote spel van manifesteren en oordelen. ‘Zo iemand durft niet te bestaan’.

‘Zo iemand’ durft dat zeker niet, tenminste meestentijds niet. Ik ervaar het als bijzonder lastig om me als kluizenaar terug te trekken in mijn eigen taal en woorden, in mijn eigen schrijven, om mijn naakte eerlijkheid op te tekenen. Om de gewoonte dingen te bedekken los te laten; om de valse gedachte aan publicatie – als zou er iemand anders dan ikzelf meelezen – van me af te schudden. En dat heeft in zekere zin inderdaad met (faal)angst van doen. Angst voor het onbeholpen, onberekenbare karakter van naakte eerlijkheid; angst om mezelf teveel, te snel, te zeggen. Angst omdat je weet dat het inderdaad ‘gelijk kan staan aan de dood, of een depressie’; want het is zo vaak inherent daaraan, zo vaak een schok te zien wat er onder de deken ligt... Maar heel af en toe durf ik me ‘te onttrekken aan het grote spel’, me af te sluiten en de dekens te laten voor wat ze zijn. Jaren gelee voor het laatst, maar er woedt momenteel zo iets heftigs dat het niet minder dan noodzakelijk voelt het opnieuw te moeten proberen. De gedachte dat ik in ieder geval niet alleen ben dan, dat ik over mijn eigen schouder meekijk, sterkt en zou het moeten doen slagen. Mijn eigen kind heeft recht op het naakt en onbekommerd spelen in een dik pak sneeuw.




De nacht betrachten

Hoe vaak blijf ik de laatste tijd niet overdag staren naar stukken afgebroken droom, in mijn handen broos. Hoe een - in vorm – mooie, ronde compositie moet het zijn geweest, door mijzelf gecomponeerd maar door het ruwe ontwaken geheel versplinterd. De stukken zijn nooit ontdaan van glinstering of schaduw, maar door de wassende dag geslepen. Ze laten zich niet meer nauwkeurig lijmen tot hun vorige samenstelling en bezitten kervende, scherpe randen. De volle, kleurrijke gloed uit mijn nacht is overgegaan in een immer veranderend schouwspel van een door de zon en bevende handen fonkelend droompalet van kleine reflecties die een schat impliceren, een intrinsieke waarde. De stroboscopische schittering van droomsplinters verleidt me als een vragende blik van twee prachtige ogen; in karakter vragend en verlangend, intrigerend. Omdat ik het antwoord wil weten kijk ik, en laat ik de schittering trekken aan mijn ogen, wil ik enkel dieper en beter en helderder kijken. Maar hoe dieper ik kijk vol overgave, hoe verder de antwoorden bij me vandaan rennen. Tot mijn blik, rusteloos hollend in achtervolging, verdwaald raakt in wat niet anders kan zijn dan mijn schaduwwereld, dat zijn tussen dag en nacht, tussen een realiteit onpersoonlijk en een ongrijpbare droom de mijne. Ik wil nog eens vanuit de dag de nacht betrachten; haar adem benemen, haar meubilair bezitten, haar gedachten bedenken en haar snijdende stukken lijmen tot volmaakt geheel. Met fonkelende ogen, de schittering rondom onschadelijk.




Dertig

Dertig (voor K.)

Ademloos Verwondering en het leven aftastend, opzuigend Vergeet niet, halfdove vrolijkheid en het leven zacht beduimeld Bloem fietsje zon, vergeet niet vrolijk je tiende

Zoekend Padvindend Finland, Noordelijke inborst koud Vergeet niet, warme inborst Utrecht, in cultuur Mooie inborst gevonden, vergeet niet padvindend je twintigste

Vuur Donder en bliksem, Fries schrijven drank en vuur Vergeet niet, zielzoekend langs Duitse letteren hemelbestormend Snelheid en pijn, maar vergeet niet zielvindend je dertigste

Open Open alles op pad geëffend, ingevuld met huis en droom Vergeet niet ingevuld met pen, geef les en gum wanneer je wenst En zo niet, vergeet (niet) gum en schrijf je veertigste

open, alles open.




The Arcade Fire @ Melkweg

Het is een ding om een fantastische plaat te maken, er live een net zo fantastisch vervolg aan geven slaagt slechts zelden. In mijn beleving eigenlijk nooit meer. Daarvoor moet ik toch terug naar mijn tienerjaren, ben ik bang. Het voelen van die totale sensatie en euforie, dat je je alles even kunt overgeven, je ‘in dienst stelt’ of opoffert, binnen laat stromen wat er vanaf het podium tegenover je aan je gegeven wordt. Zonder dat ik of de band daar moeite voor hoef te doen; dat het gewoon gebeurt. Dat was simpelweg gemakkelijker toen ik jonger was. Ik had er ook een niet te stillen honger naar, en dat is het halve werk. Zonder jezelf voor de gek te houden kon ik me de wil opleggen om dat gevoel – al was het slechts subtiel of bij vlagen aanwezig – te grijpen en in mij op te sluiten.

Gisteravond gebeurde het weer, en ik had eerlijk gezegd niet gedacht dat het nog kon. Of dat ik het nog kon. The Arcade Fire in de Melkweg was compleet overrompelend, een frontale aanval die mijn composuur en zijn aan gruzelementen sloeg en iets kleins en warms en glinsterends in mij naar boven bracht. Ik was de enige die dat van me zag en voelde, en dat was al vreemd genoeg. Mensen om me heen weten, bierbekertjes horen, zelfs het simpele besef dat je in een gebouw bent en naar een concert kijkt; ik wist het allemaal wel maar was daar buiten.

Het voelt niet als tekortkoming maar als domheid om nu precies uit te leggen wat er dan op het podium gebeurde, hoe het dan klonk, wat er dan zo bijzonder was. Ik benijd de recensieschrijvers dan ook niet. Het moet zonder concretisering blijven, zonder het zoeken naar woorden die de lading mogelijk zouden dekken. De energie, het geluid, de overgave, de muziek, de sfeer, intensiteit, genialiteit; zowel jij als ik schiet niets op met die woorden. Neem ze van me aan, kijk er doorheen en vergeet ze weer. En laat het zo.

Voor en na concerten luister ik eigenlijk nooit naar muziek van de optredende band. Distantie creëren, uit (voor)zorg, ‘live is niet als de plaat’, een kleine voorbereiding. Als het al niet is om vooraf de live-ervaring niet in de weg te willen zitten, dan wel omdat ik het concert nadien nog wil laten echoën, het de kans wil geven om uit te werken en een mooi onderkomen in mijn onthoud te vinden. Maar dat is nu gewoon niet mogelijk – of niet nodig, meer – en dat voelt als voor het eerst. De echo’s van gisteravond versmelten met de muziek die nu weer uit de speler komt. Het treft me opnieuw diep in het hart, ik zie en voel de glinstering, het straalt uit naar de rest van mijn lijf en kruipt en kriebelt overal, koud en warm. Het verbindt gisteravond met nu en ik kan het niet vergeten want het voelt zo en daar zal ik het als een diepe, diepe buiging bij moeten laten.




"Vijtien... vieren... tachtig?"

Woensdagmiddag was op Radio 1 een gesprek te horen met Herman Pleij, hoogleraar historische Nederlandse letterkunde. Het gesprek ging over het thema van de Nationale Boekenweek, onze vaderlandse geschiedenis. Vooraf was een reportage te horen, gemaakt op het Boekenbal de avond ervoor, waar schrijvers werd gevraagd naar het belang van geschiedenis in het algemeen, en wat de geschiedenis voor hen persoonlijk betekende. De verslaggeefster vroeg de aanwezige auteurs steeds eerst of ze wisten wat er in 1584 is gebeurd. Op Freek de Jonge na wist niemand van de ondervraagde auteurs dat in dat jaar Willem van Oranje vermoord werd door Balthasar Gerards.

Dat is al stuitend genoeg, maar het kan nog erger. Ook nieuwbakken dichter des vaderlands Driek van Wissen kreeg de vraag voorgeschoteld: “Vijftien... vieren... tachtig? Ehh... ja, eh, eh... zou dat een geboortejaar zijn van een van onze grote schrijvers?” Als de verslaggeefster het antwoord geeft, reageert Van Wissen zo: “Uh.. als Willem niet was doodgegaan, dan was ‘ie later doodgegaan. Ik vind dat niet zo verschrikkelijk erg ehh.. jammer.”

Om intens droevig van te worden. Dat vond hoogleraar Pleij ook, die de ‘culturele elite’ op het Boekenbal toch beter geschiedkundig onderlegd had verwacht, en die onwetendheid ook hekelde (zei het Pleijaans vrolijk en ‘optimistisch’). Pleij ging vervolgens in op de Nederlandse identiteit, onze volksaard, en hoe het credo ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, onze calvinistische inborst nog altijd aanwezig is. In hoe Nederlandse voetballers wél vereerd worden, waar bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders door de massa per definitie argwanend worden bejegend.

Wie schetst mijn verbazing als ik donderdagavond NRC Handelsblad opensla en – onder het hoofdredactioneel commentaar nog wel... – het gedicht Welkom thuis van Driek van Wissen lees (over waarom Nederland zijn uit Irak terugkerende troepen niet warm onthaalt): “Wij leven immers in een vreemde tijd / Waarin alleen de voetballers nog gelden / Als onze nationale helden”

Ach, ach...




'Huilend en eufoor tegelijk'

Schrijven... vannacht kreeg ik de aandrang om nu eindelijk maar eens met het mes door mijn boek-in-wording te gaan. Niet slechts zinnen, nee: hele pagina’s en een sub-plot heb ik eruit gedonderd. Weg ermee. Het zeurde al langer dat dat noodzakelijk was, maar ik kon het eerder gewoonweg niet over mijn hart verkrijgen. Te lang herinnerde ik me tijdens revisies de verkeerde dingen; de blijdschap die ik voelde toen ik het bedacht had, dat het na lang zwoegen precies zo op papier stond zoals ik wilde dat het moest zijn, de voldoening. Het knaagde wel, maar ik kon het er toch niet zomaar uitsnijden? Ik had er zo mijn best op gedaan! Nee, ik zou wel onderdak voor ze vinden, dacht ik, angstig als ik was om het los te laten. Maar in de tijd dat ik mijn boek links heb laten liggen zijn die betreffende passages gruwelijk volwassen geworden, waardoor ze zich nu uitstekend in de kaart laten kijken. Ze zijn volgroeid maar monstrueus geworden, obstakels die de voortgang belemmeren. Ik voelde ook niets meer bij het lezen ervan, enkel vijandigheid. En dus moest het mes erin; subiet schrappen. Ik voelde een enorme opluchting, en mijn tien onbesneden vingers popelen om verder te gaan.

Laatst had ik het met een goede vriendin over schrijven. Zij wees me op het bestaan van scriptadviseurs – een fenomeen mij onbekend. In tegenstelling tot een redacteur – die je pas krijgt als je al bij een uitgeverij zit - kun je een scriptadviseur je manuscript laten lezen. Voor feedback, voor kritiek, voor verbeteringen. Eigenwijs als ik ben stond het me totaal niet aan. 'Kom nou! Als je werkelijk een goed schrijver bent heb je toch geen scriptadviseur nodig?!' Ik loop nog steeds niet warm voor het idee (totdat ik zelf met de billen bloot moet is geloven in eigen kunnen het hoogst nodige, en al moeilijk genoeg), maar ik begrijp inmiddels wel dat zelfs de grootsten der schrijvers baat kunnen hebben bij revisie.

Jessica Durlacher behoort zeker níet tot die grootsten der schrijvers. Haar makke is wellicht dat ze – om welke reden ook – als gevestigd schrijfster wordt gezien en reeds wordt uitgegeven, en dus al een redacteur tot haar beschikking heeft. Bij het lezen van deze even scherpzinnige als hilarische ontleding van haar boek Emoticon (klik door op de links onderaan), krijg je toch het idee dat haar redacteur ofwel volstrekt incompetent is, of al teveel ontzag heeft voor mevrouw De Winter.

Maar daarnaast raak ik er door die link in alle ernst van doordrongen dat één enkele snijdsessie of revisie voor mijn eigen boek niet genoeg is. Laat vooraf de duisternis maar schijnen in een ander paar ogen. Dit is een les in nederigheid. En hoewel ik mijn eigen nederigheid dikwijls vervloek, ditmaal kan het me wel eens van pas komen er naar te luisteren. Want laat mijn boek eufoor, of laat het om te huilen; een ontluistering zal het niet worden.




Gedoemd tot kwetsbaarheid

Waar moet ik beginnen? Zo begint ook Geert Mak’s Gedoemd tot kwetsbaarheid, een ‘geschiedschrijving’ over het Nederland van de afgelopen maanden. (Dit stukje gaat daar overigens niet over). Het is een andere geschiedenisles dan ik gewend ben, omdat alles nog maar zo kort geleden is, en hij zo naar het einde toe het heden en zelfs de toekomst erbij haalt. ‘Mag’ je gebeurtenissen uit het verleden al zo snel tot geschiedenis verwerken? Is het niet te snel? Ach, waarom ook niet. Maar hoezeer zal deze versie van de geschiedenis verschillen met een die over pakweg twintig jaar geschreven wordt, over hetzelfde onderwerp? Bagatelliseert die grotere tijdsafstand het gebeurde? Wordt Mak’s boekje misschien zelf een voetnoot in die geschiedenis, of geheel nutteloos voor over twintig jaar? Bestaat er iets als geschiedenis die slechts voor het nu geschikt is?

Ik biecht op: had er op de kaft niet de titel ‘Gedoemd tot kwetsbaarheid’ gestaan, dan had ik het boekje waarschijnlijk laten liggen. Hoe zeer het thema me ook interesseert, ik hecht zeer aan de tijd die ik juist kan besteden zonder daarmee bezig te zijn. Die titel echter prikkelt mijn verbeelding en denken, juist over thema’s die in dit essay helemaal niet ter sprake komen. En zoals ik al zei, dit stukje gaat dan ook niet over dat boekje. Als je gedoemd bent tot kwetsbaarheid is de kunst om te verwerken van levensbelang. Verwerk je niet dat je gekwetst bent, dan ben je ook niet klaar om door te gaan of om opnieuw door iets of iemand gekwetst te worden. Dat dat weer zal gebeuren weet je, daar ontkom je nu eenmaal niet aan, beseffende dat je daartoe gedoemd bent. Zaak dus om jezelf snel weer op te lappen. In zekere zin om klaar te zijn voor een volgende kwetsing, maar meer nog omdat dat tussenliggende kwetsloze tijd oplevert. De tijd waar je eigenlijk op uit bent en wilt verzamelen, zoveel mogelijk.

Ik merk nu weer hoe lastig dat kan zijn, het verwerken van een gebeurtenis waar je eigenlijk nog met een been instaat. Tot dat besef werd ik ironisch genoeg gedwongen toen ik woensdagmiddag in Mak’s essay aan het lezen was. Ik had er zo’n veertig pagina’s opzitten, de dag was lief en er fonkelde sneeuw in mijn ooghoeken. Maar ineens ging ik op zwart.

Waar en wanneer begin je dan? Begin je stiekem al als je het zelf nog niet eens in de gaten hebt, als je je nog tussen de brokstukken waant? Waarschijnlijk wel, want je begint bij het begin. En hoewel het ontegenzeggelijk een einde was – tegen wil en dank – is het vanaf dat moment toch echt ineens een begin geworden. Als je weer ‘op wit aan het gaan bent’ zoek je de uitgang, waar je met een goed doordachte planning naartoe wilt werken, een die prettig voelt en haalbaar is. Het liefst wel zo snel mogelijk, want je wilt weer klaar zijn voor de tussentijd en sterk voor wat daarna komt (Je zult jezelf door die hoge snelheid nog wel één of twee keer voorbijlopen: niet erg, gewoon terug naar start. Opnieuw op weg gaan gaat dan stukken sneller, want je bewandelt bekend terrein). Ik denk nu dat je inderdaad maar beter zo snel mogelijk kunt beginnen met het verwerken van het gebeurde. Maak het maar geschiedenis, hoe vers ook. Zet het vast in deze tijd zodat het elke dag na deze weer wat kleiner en onbeduidender wordt. Het is er dan nog wel, maar geïsoleerd en zonder dat het kan nog veel kan groeien. Iets wat ik wel doe, waardoor ik het op den duur niet eens meer zal kunnen zien of voelen. Of slechts vaag, dan, hoop ik.

Goed dan, dat gezegd hebbende... Waar moet ik beginnen? Met dat boekje dan maar. En dit stukje, dat daar niet over gaat.




De nachten (1)

Zoon van de gastheer, blijk ik, en in de gedwongen rol van de beleefde ontvanger van de gasten. Het huis stroomt langzaam vol met mensen en rumoer. W draait hele slechte muziek. Even overweeg ik in te springen maar voel er eigenlijk niets voor. Ik ontsnap naar boven. Naar dat beklemmende gastenverblijf, ingericht in lelijk jaren ’70 oranje, met stof en kruimels op de bank. De naargeestigheid van dat hok jaagt me snel weer weg, ik hou beneden mijn adem in tot ik buiten ben – de blik van W zorgvuldig vermijdend. Ik begrijp ook niet waarom dit feest gehouden wordt, maar ik word er misselijk van.

Ik weet dat zijn telefoon het geheim bewaart, het bewijs van sabotage prijsgeeft, maar kan er niet over praten. Niet dat het niet mag, maar het gevoel dat het toch al te laat is legt me resoluut het zwijgen op. Buiten staan bandensporen in het verder glad gestreken grind, bandensporen van de auto’s die straks gaan komen. Ik spoel de film in mijn hoofd vooruit, zie hoe de bandensporen worden ingenomen door de autobanden, die volle auto’s dragen, volle auto’s vol volle mensen. Maar de redding schakelt in de achteruit en vertrekt weer. Niet goed, niet goed.

In de verte voel ik ze al aankomen. Door het raam zie ik dat Y daar maar gewoon zit, in haar stoel. Ze komen dichterbij. Gek trouwens, ik ken het gezicht van Y niet. Maar ze komen dichterbij. Ik denk aan strips die naderend onheil beeldend aankondigen met stofwolken en oprukkend lawaai, maar ik zie en hoor niets. Enkel het schijnsel van de zon, dat de zwaarden laat schitteren in de nacht. Dan chaos, en tussen alle wit geklede onnozelen die blind zijn schiet daar Z heen en weer. Ze botst tegen ramen en muren als een vogel opgesloten binnenshuis, maar weet het huis der onwetenden te ontsnappen. In de nacht rent ze over het parkeerterrein, haar pandjas los en wapperend. De wereld schokt, dat kan ze goed. Ik moet wel achter haar aanrennen, maar kan haar niet goed zien door de tranen in mijn ogen. Wrijven, wrijven nu. Ze staat bij een auto, klaar om in te stappen als ik mijn zicht terug heb en haar tegen de grond duw. Haar hoofd stuitert tweemaal op het beton. Links en rechts naast haar lichaam ontvouwt zich de binnenkant van haar jas. Tien stuks, donkerblauw maar fel schijnend ontnemen me wederom mijn zicht. Steek in hart. Ik rol van haar af en laat haar vertrekken, ze scheurt weg. Geen sporen in het grind. Ik wrijf en wrijf en loop terug naar het huis. Ze zijn er al. Een kind wordt geslacht, en hoewel er een reactie met dezelfde wapenen op gang gekomen is, blijkt verdrijving slechts het hoogst haalbare. Het kind ligt daar maar, onherkenbaar.

Maar ik krijg een buitenkans, een geschenk. Mijn tijd is doorgegaan, maar die van de rest is teruggezet. Het is twee uur eerder als ik weer in huis ben. Ik rijker en armer, de rest even onwetend. Z schiet weer heen en weer maar de anderen kunnen dat niet zien, voelen niet dat ze door hen heen suist, een vertraagd lichtspoor achter haar aan slepend. Als ik ze weer voel komen, als de bandensporen van straks en de onrust, ren ik alvast naar de parkeerplaats. Nog geen tranen maar ik wrijf alvast, ik post. Niet om het offer dit keer ongedaan te maken, niet om het niet opnieuw te laten gebeuren, maar om eerst te zijn. Ik sta bij de auto, Z komt er aan rennen, ze wordt door mij achtervolgd. Ik blijf bij de auto staan en zie hoe ik haar tegen de grond duw. Haar hoofd stuitert tweemaal op het beton. Links en rechts naast haar lichaam ontvouwt zich de binnenkant van haar jas. Ik zie dat tien stuks, donkerblauw maar fel schijnend, me wederom het zicht ontnemen. Ik zie me grijpen naar het hart. Ik zie dat ik van haar af rol en haar laat vertrekken, ik zie haar wegscheuren en mij op de grond liggen. En wrijven. Geen sporen in het grind. Ik blijf op de parkeerplaats staan en zie mezelf teruglopen.

Ze zijn er al. Ik zie hoe ik zie dat het kind weer wordt geslacht. Glimmende zwaarden, sporen in het grind, wrijven nu wrijven nu. Ik zie hoe ik een buitenkans krijg, een geschenk. Als ik mezelf het huis weer in zie gaan besluit ik weg te lopen. Weg van de parkeerplaats, weg van het verlangen van zonet, weg van de herinnering aan straks.