Orange & Yellow

Orange & Yellow, Mark Rothko
"In the sensual language, all minds converse together, they need no other language, for this is the language of nature."
(Jakob Boehme in A Lover's Discourse, Roland Barthes)
"Silence is so accurate." Mark Rothko had in 1947 zo genoeg van het constant uit moeten leggen van de betekenis van zijn werken, van zijn waarheid. De aanschouwer van een kunstwerk staat niet los van het werk maar is de laatste schakel in het creatieve proces, zo zei Rothko. Hij vreesde dat aan een schilderij gekoppelde taal de fantasie van de aanschouwer zou verlammen of beïnvloeden. Zijn uitleg zou slechts een obstakel zijn om tot de kern te komen, zowel voor de aanschouwer als voor hem zelf: "The progression of a painter's work, as it travels in time from point to point, will be toward clarity: toward the elimination of all obstacles between the painter and the idea, between the idea and the observer." Nadien zou hij zijn schilderijen enkel vernoemen naar de kleuren op het doek of een getal meegeven. Stilte kwam nu eenmaal het dichtste bij wat hij wilde zeggen.
Wat betekent het om op momenten van intens geluk en uitzonderlijke liefde de taal door je vingers te zien glippen? Eerst angst: Is het een vernedering omdat ik het gevoel heb machteloos te staan als schrijver? Of ben ik als mens juist voor even verheven boven alle uitingsvormen, ervan bevrijd zelfs, en één met de veelzeggende stilte? Beschrijft die stilte niet veel meer dan alle woorden mogelijk?
Roland Barthes heeft er ook veel zinnigs over te zeggen, in De Bijbel voor verliefden als ik, A Lover's Discourse: "My expressive needs oscillate between the mild little haiku summarizing a huge situation, and a great flood of banalities. I am both too big and too weak for writing: I am alongside it (...) What obstructs amorous writing is the illusion of expressivity: as a writer, or assuming myself to be one, I continue to fool myself as to the effects of language (...) Someone would have to teach me that one cannot write without burying 'sincerity' (always the Orpheus myth: not to turn back)". ('Inexpressible Love')
Ik heb - toegegeven, soms met grote moeite - een tijd gehoor kunnen geven aan de zalvende uitleg van Barthes en de reis naar de ultieme waarheid in stilte van Rothko, maar wend het nu aan in mijn zwakheid lief.
Als ik op de bank zit en voor me kijk zie ik in het groot Orange & Yellow (1956) van Mark Rothko aan de muur hangen. Het is een bijzonder werk in zijn omvangrijke oeuvre, een keerpunt ook; Orange & Yellow was het meest frivole, speelse schilderij dat hij ooit creëerde. De kwast gedrenkt in een van liefde overlopend palet. Het liefst loop ik er langzaam op af, om op een halve meter afstand halt te houden en te kijken. En te blijven kijken, in het klein gehoor gevend aan Rothko's ideaal het schilderij niet als geheel te zien, maar in een deel er van te verdwijnen, het schilderij van binnenuit te ervaren. Eenmaal binnen zie je hoe geen centimeter van het doek hetzelfde is, hoe de kleuren gaan leven en bewegen en zo ontzettend veel warmte afgeven.
Radioactieve kleuren van liefde die me vervullen en stil maken: dit schilderij zegt wat ik niet zeggen kan, en ik mag er zo maar middenin verkeren. "Silence is so accurate."
Signeersessie
Het wilde nauwelijks dag worden zaterdag, toen ik wakker werd. Licht was het al niet, het regende zacht en buiten was grauw. De voorgaande vrijdagnacht bleef heerlijk doorstromen en spoelde over de oevers van mijn zaterdag... tot me ineens te binnen schoot dat Lars Saabye Christensen zijn nieuwste boek kwam signeren vanmiddag, in de stad. En ik had nog maar een halfuur! In actiemodus schoot ik snel in de kleren en zette ik mezelf op de fiets. Na vijftien meter stond ik stil. Lekke achterband. Ik voelde een trage overweging opwellen die in besluiteloosheid had kunnen uitmonden, maar ik onderdrukte hem, gooide mijn fiets snel in mijn eigen voortuin en zette het op een lopen. Het was niet zozeer de handtekening waarom ik me tot hollen maande, maar meer om een doel dat je jezelf stelt – hoe futiel ook – te halen. Ik was in een bui om doelen te halen.
Natgeregend en moe snelde ik de boekhandel binnen, waar ik K. trof die al bij de toonbank stond. Veeg teken, was ik te laat? “Ben ik nog op tijd?,” vroeg ik. “Je moet wel snel zijn denk ik,” zei K. Christensen zat stoïcijns achter een tafel, met daarop enkele exemplaren van zijn nieuwste boek Maskerade. Dat nieuwe boek was niet de reden waarom ik hem in twee onaangedane ogen keek. Het voelde meer als eerbetoon aan zijn magistrale De Halfbroer, om even kort mijn dankbaarheid over te brengen. Twee vrouwen – compagnons van Christensen, denk ik – stonden rechts naast de tafel en glimlachten, bijna opgelucht, toen ik voor hem kwam staan. I made it on time! Ik pakte Maskerade, en bekeek het even. Christensen bekeek mij. Achter hem stond een winkelmedewerker al klaar om de Noorse schrijver een attentie te overhandigen, verpakt in met de Friese vlag versierd plastic. De boekverkoper gaf me een knipoog. “Nog net,” zei de verkoper enigszins verlaat op mijn vraag of ik op tijd was. Christensen zelf wekte geenszins de suggestie dat er nog getekend zou worden, maar langzaam haalde hij zijn rechterbeen van zijn linker, zijn armen uit een verstrengeling die een gevoel van ‘dit zit er gelukkig weer op’ verried.
Mijn snelle adem en voorgaande vraag waren blijkbaar voldoende om een woordenwisseling te instigeren, waarop ik Christensen’s vragende blik beantwoordde door te vertellen over mijn lekke band en sprint naar de boekhandel. “Gerrad?,” herhaalde hij ietwat ongelukkig mijn naam, waarop hij me vroeg mijn naam op een briefje te schrijven. Ik weet niet of hij veel boeken had gesigneerd deze middag, maar het briefje waarop ik mijn naam moest schrijven droeg slechts enkele namen met zich mee. Het waren vooral vrouwennamen. Christensen bekeek het briefje waarop ik lelijk en wegens gehaastheid trillend mijn naam had geschreven, pakte zijn pen en beschreef pagina 2 van mijn exemplaar van Maskerade. Gek genoeg sloeg hij het boek dicht voordat hij het me overhandigde, waardoor ik pas later las wat hij had geschreven. Dankbaar nam ik mijn exemplaar in ontvangst.
“Give my best regards to Barnum, if you ever see him again,” zei ik hem tot besluit van dit miniritueel. Barnum... die lieve kleine held op sokken uit De Halfbroer, een personage dat nog zo leeft en in mijn verbeelding de wereld aan het verbazen is, ergens. “I will,” antwoordde Christensen, zuinig glimlachend.
Pas toen ik het boek had afgerekend las ik wat hij had geschreven:
“My best wishes to Gerard, you made it on time!
Lars Saabye Christensen, April 9 2005, !”
Daft Punk - Human After All
Daft Punk’s Human After All zal niet in mijn jaarlijst komen. Niet dat ik daar nu al mee bezig ben, maar ik heb gewoon al tien betere platen gehoord dit jaar. De eerste luisterbeurt was goed voor enthousiasme, maar de plaat werd telkens minder ‘noodzakelijk’, bleef wat in de lucht hangen om vervolgens rap te dalen. Dat zette door totdat ik het bijna een triviale plaat ging vinden; toen stopte de neerwaartse beweging van mijn waardering voor Human After All. Op die hoogte heb ik ook het plezier gevonden dat de plaat me nu verschaft. Nu is ‘plezier’ al geen woord dat ik met Daft Punk associeerde, het klinkt zo aards en ontdaan van dromen - om over ‘triviaal’ maar te zwijgen, dat is eigenlijk gewoon een gotspe, gelijk een vloek. Bij veel muziek volstaat ‘plezierig’, maar in het geval van Daft Punk en Het Heilige Verlangen kan ik dat toch niet staande houden? Lijkt dat niet al te veel op het verhullen van een teleurstelling? Een verlangen lost niet op als datgene waarnaar je verlangt gearriveerd is, maar gaat dan juist kronkelend op zoektocht naar aanknopingspunten om zijn bestaan en geschiedenis te rechtvaardigen. Het wil zich tegenover mij bewijzen dat het er niet voor niets geweest is, zich in de arm knijpen: blijft het een droom of is er een brug denkbaar naar de realiteit?
Opener Human After All is prima, een luid ‘we’re back!’ (de gedaante waarin ze terug zijn, als mensen in plaats van robots, is me na beluistering van deze plaat om het even). The Prime Time of Your Life knettert lekker en verrast door de ongewone opzet. Een robot die een lofzang houdt op het leven maar verdrinkt in euforie en in een deeltjesversneller terechtkomt (een teveel aan genot maakt draaierig, en soms zelfs kapot). Maar al snel wordt de muziek ineens slechts ‘plezierig’, en zelfs het plezierige verdwijnt na verloop van tijd. Met de ‘zwaargewichten’ Steam Machine en The Brainwasher, die – zo is mijn indruk – bij veel gelovigen wel in de smaak vallen, kan ik hoegenaamd niets. The Brainwasher – goed gekozen titel! – gaat ten onder aan die gruwelijk simplistische vocaal, waarbij ik nare Top of the Pops-achtige visioenen krijg. Technologic is bijna gênant, zo ouderwets klinkt het. Op zijn hoogst een slappe remake van Harder, Better, Faster, Stronger die het op alle vier punten verliest van het ‘origineel’ (ook omdat HBFS een aangenaam Olivia ‘Let’s Get Physical’ Newton-John on lsd gevoel bij me oproept, toegegeven). Television Rules The Nation stemt eveneens droevig. Onorigineel en bovendien zo verschrikkelijk nonchalant in elkaar geflanst. Alsof ze de stekker van de twee robotkarkassen even ingeplugd hebben en twee zielloze robots het nummer hebben laten maken, terwijl de heren zelf zich laven aan een lapdance in een nachtclub. Nulpunt bereikt... Het is te hermetisch allemaal, de muziek biedt nergens ruimte of een opening om in te ontsnappen, om te dromen, te verlangen of te fantaseren. Het verlangen krijgt niet alleen de deur in het gezicht geslagen, maar wordt niet eens serieus genomen. Het gros is onaangename, door testosteron gevoede heavy metal disco. Masculiene, opgefokte drammers die me doen denken aan brallende, dronken mannen in een bar, in plaats van vier in wederzijds verlangen gevangen ogen op de dansvloer of in de slaapkamer.
Maar dan toch... dan toch glinsteren daar tussenin twee ruwe diamanten. Make Love en Emotion zijn elkanders gelijke en geheel verschillend van de rest, maar simpelweg subliem. In het erotische, hypnotiserende Make Love waart de geest rond van Manuel Göttsching’s techno/ambient-meesterwerk E2-E4. Heel subtiel schuiven verschillende ritmes over elkaar heen, ritmes die cyclisch, als een wenteltrap, steeds verder uitdijen en hoger klimmen naar een climax (de oorspronkelijke betekenis van climax is ’opklimmen’) maar er nét niet arriveren; even terug in tempo of nadruk, dan weer sneller vooruit, even terug, benadrukken, to and fro, rakend aan… muziek volmaakt versmolten met de titel, wil ik maar zeggen. Het langzaam stuwende Emotion sluit daar naadloos op aan, happily lost in repetition.
In die twee huizen kan het verlangen resideren. Het kan er vrijelijk door muren trekken, over de vloer schuimen of in de nok hangen; het kan blijven. Make Love is de verklanking van het verlangen zelf. Vanaf het eerste moment dat de twee elkaar troffen kenden ze elkaar door en door, elk’s bestaansrecht aan elkaar ontleend. Klinisch gezien is het een wel erg magere oogst, twee van de tien. Toch voel ik geen teleurstelling. Niet omdat mijn hand met die twee nummers snel gevuld blijkt maar omdat mijn verlangen zonder verwachting was. E2-E4 duurt een uur, maar is daarna nog lang niet afgelopen. Make Love overstijgt op eenzelfde manier de vijf minuten, ruimschoots.

