<<Vorig Archief | Volgend Archief>>

(schrijven)





Het is een vreemd contrast: in een oranjegeel gekleurde wereld bevinden zich hier en daar beeldschermen, onbeschreven notitieblokjes en lege maar gelijnde (lees: naar taal smachtende) schriften. Ze staan langs de kant van de weg, links en rechts van me, niet erop. Vanuit een soort nederigheid (liefde is groter dan taal), knieën en armen gekruist, staan ze daar, terwijl ik er machtig snel aan voorbij tors. Het zijn geen obstakels (ik heb vrij baan), maar ook geen passanten. Ik zelf ben de passant. Ik loop er nog steevast aan voorbij, magnetisch aangetrokken naar de kleuren en geuren van liefde die me verder loodsen. Vooruit. Voorbij aan het papier, die onbaatzuchtige inktdrogers die leeg geboren worden om beschreven te worden. Voorbij de lege schrijfbladen en witte beeldschermen, die vanwege hun witheid niet alleen hun eigen kwetsbaarheid en verlangen tonen, maar ook het mijne reflecteren, als een spiegel.

Ik zou mijn reflectie kunnen zien als ik stop met passeren en er naar toe loop, stil ga staan en kijk (nee; schrijf, en dán kijk). Om te kunnen schrijven is het noodzakelijk om stil te zitten, stil te staan. Bij veel beweging wordt het geschrevene doorgaans onleesbaar. Ik zou schrijven tijdens het bewegen zeker niet zinloos willen noemen (*), maar als je iets opschrijft omdat je het later nog wilt kunnen lezen is schrijven tijdens bewegen een tamelijk ongeschikte methode. Je ziet jezelf ook niet goed als je voorbij een spiegel rent, je leest een boek niet goed als je de pagina’s snel omslaat. Het is waar, wie schrijft die blijft. Wie schrijft staat even stil. Daarom schrijf ik tegenwoordig zo weinig, want ik wil helemaal niet stilstaan. Ik wil verder op deze weg, ik wil die kleuren en geuren volgen die me zo aantrekken. En omdat er ook niets is wat ik wil schrijven maar niet hoef terug te lezen schrijf ik niet, maar beweeg ik verder. Vooruit.

(*) Ooit, fietsend op mijn crossfietsje, schoot me iets te binnen wat opgeschreven moest worden, vond ik. Maar ik moest ook doorfietsen, anders was ik te laat thuis geweest. Al fietsend haalde ik uit mijn jaszak de pen en een stuk papier. Het papier hield ik vast met mijn linkerhand, die rustte op het kunststoffen BMX stuuromhulsel, zodat ik tegelijkertijd grip op het stuur had. Met de rechterhand schreef ik iets op het papier, terwijl ik doorfietste. Eenmaal (op tijd) thuisgekomen was mijn aantekening volstrekt onleesbaar, een verzameling streepjes en vormen waaruit geen taal meer sprak. Bovendien wist ik niet meer wat ik had geschreven. Maar dat gaf niet, want ik moest immers slechts twee dingen: én doorfietsen, én iets opschrijven. Beide had ik gedaan.




Sporen





Dertig dagen liefde en ze blijft mijn wereld onverminderd vullen met haar sporen, ook als we fysiek niet samenzijn. In onze slaap (haar ogen fel dichtgeknepen). Sporen in mijn huis, op mijn huid, in mijn hoofd. Organische beelden en verschijningen van haar tijdelijk afwezige fysique en onverminderd aanwezig ruimere, grotere zijn. Als zoet in mijn levenslucht. In de badkamer (haar geur). Ze brengt een explosie aan gevoelens, gedachten, smaak en geur met zich mee die haar zo eigen is dat ze het niet eens zou kunnen afschudden als ze dat wenste. Maar tegelijkertijd deelt ze het ook, schenkt ze het me na een samenzijn. In mijn echo (haar stem).

Soms, als ik alle sporen om me heen zie of voel, kan ik niet anders dan denken dat mijn wereld tjokvol zit, maar wonderbaarlijk genoeg kan er telkens nog wat bij. In de tuinstoel (haar postuur). Haar sporen ademen, en lopen parallel aan of kruisen met mijn eigen sporen. Lange tijd kan ik één spoor volgen, de structuur ervan blootleggen of me erin verliezen. Kijken wat ze doet in mijn woonkamer als ze er niet is. Hoe ze naar me kijkt als ze me niet kan zien. In mijn ogen (de hare). De eigenaardigheden ervan onderzoeken, me gedachteloos in dat aangenaam onbekende wentelen of overeenkomsten en verschillen ontdekken. Aan de kust (haar wapper en zilt).

Ik raak per ongeluk wel eens naast een spoor, wegdromend, overvoerd of na een onbesuisd sprongetje. Mijn gedachten verstappen zich soms, maar het sporenstelsel is zijn eigen vangnet, ontsporen kan niet: er dient zich altijd wel weer een nieuw spoor aan. Om mijn vlucht (haar armen). Het maakt haar afwezigheid op zijn sterkst soms tot een doorschijnende aanwezigheid. En toch... Ik zie haar bewegen in een ooghoek, maar ze is weg zodra ik gericht kijk. Ik hoor haar iets zeggen als mijn gehoor die woorden alweer voorbij is. Inherent aan een getrokken spoor: degene die het achterliet is niet meer op de plek van het spoor maar elders. Op mijn schilderij (haar blik). Al die fijne sporen kunnen niet verhullen dat ik me niet alleen verbaas over het hemelsbrede spectrum aan wijzen waarop ze bij me is (Walter Benjamin: “Grondregel voor de vrijer: zich zevenvoudig maken; in zevenvoud om de begeerde heen gaan staan”), maar ook over een andere, enorme ruimte in mij die ik niet had vermoed: Dat het, wanneer solitair, ondanks het fijnmazige net van al die sporen, ondanks warme gevoelens en gedachten, mogelijk is iemand zo ontzettend te missen. In mijn bed (haar alles).




Margi Geerlinks' nieuwe werkelijkheid





'Eleven' - Margi Geerlinks

Onlangs had ik de eer en het genoegen om voor Cut-Up beeldend kunstenares Margi Geerlinks te interviewen. De Rotterdamse gaat met haar digitaal bewerkte foto’s op intieme wijze in op het schoonheidsideaal en de vergankelijkheid van het (vrouwelijk) lichaam. Tijd en generaties vervagen of doubleren, lopen organisch in elkaar over of botsen juist. Het zijn werken die choqueren én doen verstillen van schoonheid. Of het nu esthetisch of filosofisch prikkelt; wegkijken gaat niet, want niets is wat het lijkt. Het interview is hier te lezen.