The Old Man’s Back Again
“Het kan gerust nog vijf jaar duren voor zijn nieuwe plaat verschijnt, of tien. Walker heeft geleerd de tijd nemen,” besloot ik vorig jaar het artikel ‘Scott Walker: Het Leven als Verdwijntruc’. Ruim tien jaar na meesterwerk Tilt werd vrijdag bekend dat Walker’s nieuwe album – zijn eerste op 4AD - voor nu gepland staat voor herfst 2005! De plaat album bevat zeer waarschijnlijk bijdragen van Elizabeth Frazer (Cocteau Twins) en componist Brian Gascoigne. Ook zouden de nummers ‘Scope J’ en ‘Lullaby’, die Walker schreef voor de Duitse chansonnière Ute Lemper er op komen te staan.
Wow. Het zijn slechts enkele namen, feitjes, daarvan ben ik doordrongen. Of ze geheel voor waar genomen mogen worden is ook nog niet geheel duidelijk, maar ik werd er erg warm en opgewonden van. De man met de gouden stem heeft nooit gezegd definitief te stoppen met muziek, maar liet in het zeldzame geval van een interview wel merken dat het hem steeds zwaarder valt. Loodzwaar. De muziek uit het begin van zijn carrière was voor een bescheiden generatie jongeren oorverdovend, opwinding opwekkend en herinneringen inducerend. Maar nadat hij ter nauwer nood aan een totale ineenstorting wist te ontsnappen – tussen 1975 en 1984 – verwijderde hij een specifiek deel van harmonie en ‘luide’ (gedecideerde) muziek uit zijn leven. Iets wat er ooit was ingeslopen maar nooit als iets van hem had gevoeld. Vanuit de oorverdovende chaos tenslotte begon een odyssee naar perfectie, in muziek en leven. Een zoektocht naar zijn ultieme waarheid en schoonheid; stilte: "It all basically leads to silence, and I'm trying to explore that. It's very difficult to talk about. I'm not trying to be deliberately oblique. It takes me absolutely ages with any song now." Het fascinerende van die zoektocht naar stilte is dat hij juist gepaard gaat met angstaanjagende geluidserupties (Tilt) en een duizelingwekkende afdaling naar zijn ziel. Walker was fighting off his demons, en een gruwelijker, indrukwekkender, mooier gevecht dan dat moet ik nog horen op plaat.
Het kan op zijn nieuwe plaat allemaal anders zijn, het mag ook allemaal anders zijn. Maar zeker is dat Walker’s muziek altijd bij de laatste noten van zijn vorige plaat begint, om dan weer verder te gaan in ontwikkeling, in filosofie, in spaarzaamheid en in het vermogen me te raken met zijn muziek en stem en woorden, als een goddelijk gloeiende hand op mijn borstkas. Scott Walker heeft ervoor gekozen het leven door een strenge zeef met immer smaller wordende gaatjes te filteren. Totdat het laatste korreltje door het laatste gaatje van de zeef gevallen is laat hij je horen hoe het geluid voorafgaand aan geen geluid klinkt. Scott Walker heeft ook mij geleerd soms de tijd te nemen, het vermogen en de kunst van het wachten te beoefenen en te waarderen. En ik kan het al een beetje, wachten. Maar laat het alsjeblieft niet te lang duren.
Deep Throat
Afgelopen dinsdag, op mijn drukste journalistieke werkdag van de week, maakte de voormalige plaatsvervangend directeur van de FBI, Mark Felt, bekend dat hij Deep Throat is. Ineens zag ik de headline op een nieuwssite staan. Klik naar The Washington Post. “Post Confirms Felt Was Deep Throat”. Ik klikte het artikel niet aan maar staarde wat. De drukte van de dag en duizenden gedachten kwamen in één klap tot stilstand. Shell-shocked. Ontzet en verbijsterd zei ik stamelend tegen mijn collega: “... Deep Throat heeft zich bekend gemaakt.” Omdat ik hem zág graven in zijn geheugen besloot ik het niet uit te leggen. Dat voelde simpelweg als een belediging. Ik hoef een journalist toch zeker niet uit te leggen wie Deep Throat is?!
Eind lagere school had mijn interesse voor journalistiek zich al gemanifesteerd. Watergate en de magistrale omverwerping van Nixon door Woodstein: sinds ik het verhaal kende (uit zo’n klein genummerd infoboekje uit een serie die vroeger in de bibliotheek op de basisschool stond) wist ik genoeg. Niks Superman of De wondersloffen van Sjakie... Dit was hét! Het mooiste jongensboek, een romantische jongensdroom waarover het oneindig fantaseren was. Het beroerde diepe gevoelens in me die ik pas jaren later zou begrijpen. De heroïsche journalist, de val van de schurk, en de spin in het web: de mysterieuze insider, Deep Throat, die met gevaar voor eigen en anders’ leven een imperium ten val brengt en ingrijpend geschiedenis schrijft. Dat is nogal wat, voor een jongetje van elf. Met een vriendje had ik indertijd een detectivebureau opgericht. Mijn codenaam was LC-DC (verifieerbaar met de op een matrixprinter uitgeprinte ID’s die we bij ons hadden). Onze onderzoeksactiviteiten beperkten zich tot het achtervolgen van meisjes na schooltijd, een zeer serieuze aangelegenheid. En we gebruikten de trucs van Bob Woodward – Deep Throat’s enige contactpersoon, Carl Bernstein ontmoette hem pas nadat Nixon was afgetreden. Een opzij geschoven gordijn (bij gebrek aan een bloempot) betekende dat mijn collega-detective – als hij langs mijn huis fietste – bij me aan moest bellen omdat ik breaking news had! En omdat de slaapkamer in het ouderlijk huis al te gehorig, en misschien wel gebugged was, vroegen en kregen we op onze verjaardag matching walkietalkies. In mijn roze dagboekje mét slotje kon ik de vorderingen van onze onderzoeken nauwgezet bijhouden, teneinde het mysterie volledig te ontrafelen.
Het is gewoon waar: Watergate en in het bijzonder Carl Bernstein, Bob Woodward, de standvastig en immer zijn journalisten verdedigende editor-in-chief Ben Bradlee en Deep Throat zijn er deels verantwoordelijk voor dat ik journalist ben geworden. Het waren mijn enige, ware helden. Want na die eerste vroege onderzoekscapriolen las en zag ik All The President’s Men (Robert Redford’s beste rol ooit), Nixon’s Last Days en was ik voorgoed verkocht. Ik werd ouder, maar met de kennis en het begrip van de affaire kwam enkel meer bewondering. Ook realisme en nuance, maar de magie bleef. En dat was voor een groot deel toe te schrijven aan Deep Throat. Want hij was veel meer dan een simpele informant: Deep Throat was de primaire behoefte van alle onderzoeksjournalisten, de Moedige die niet alleen rottigheid wilde lekken maar ook vertrouwen had in de journalistiek, en: de belichaming van rechtvaardigheid. Dat drie mannen in staat zijn zo een omvangrijk netwerk van fraude, corruptie en leugens tot in de kleinste details te ontrafelen stemt niet alleen hoopvol; het ontroert me tot in het diepste van mijn ziel. Het ontroert omdat de belangrijkste man in dit geheel, in deze verrukkelijke geschiedenis, zo ongelofelijk zelfopofferend en onbaatzuchtig was. Hij had geen zucht naar roem, geen hang naar erkenning, nee: het recht moest zegevieren. Dat was niet alleen zo, dat bleef ook zo.
Tot nu. Als je 91 jaar bent en al 33 jaar zwijgt over het enorme tweede leven dat je hebt geleid en zo een onvoorstelbaar, jeukend geheim verborgen houdt, kan ik me heel goed voorstellen dat je het alsnog uitschreeuwt. “I’m the man they called Deep Throat.” Inderdaad, dat was jij, en je was simpelweg fantastisch. De grond waarin Felt bij zijn sterven begraven wordt zou niet opgewassen zijn tegen iemand die zo’n zwaar geheim met zich meedraagt. Ik gun alle respect en waardering die hem nu toekomt enorm. Maar tóch is het ook dood- en doodzonde. Niet enkel omdat mysteries soms beter mysteries kunnen blijven. Maar ook omdat met zijn coming-out het bijna metafysische idee van De Anonymus, de onbekende en ongrijpbare do’er of good om zeep geholpen wordt. Niet dat ik het niet wist, maar ik wilde graag anders geloven: Deep Throat was dus toch gewoon een mens, met kleinkinderen en kortgeknipt gazon, die bovendien licht dementerend is (dat vooral is schrijnend: wilde hij het wel écht bekend maken? Woodward’s reactie over de coming-out: “I’m not fully comfortable about it.”).
Dolgraag was ik blijven geloven dat in 1973 vuur met vuur bestreden werd: een onzichtbare, ongrijpbaar handelende president wordt door zijn evenbeeld ontmaskerd. Deep Throat toonde aan dat regeringen en systeme waarop we geen invloed denken te hebben tóch door mensen gecorrigeerd kunnen worden. Dat de wereld nog steeds niet weet wie Deep Throat was en hoe hij Richard ‘crook’ Nixon demaskeerde. Het mag niet zo zijn, en dat stemt me ergens heel droevig. Ik ben nog steeds blij met de impact die het op me heeft gehad, maar ik had dat zo graag voor altijd behouden. Die droom van dat elfjarige, enthousiaste journalistenjongetje in mij eindigt, en dat voelt net zo vervelend als ontwaken uit een prachtige droom. De elfjarige detectives van nu zullen dat romantische, fantastische en hoopgevende ideaal aan iets anders moeten ontlenen.
Lees 'How Mark Felt Became 'Deep Throat' van Bob Woodward.
Tegen
Enkele overwegingen, leidende tot een stem tegen het verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa. (Terzijde: Ik vind het jammer en bevreemdend dat de woorden ‘ja/nee’ zo veel gebezigd worden, daar de referendumvraag enkel te beantwoorden is met ‘voor/tegen’.)
1. Ik ben voor een Verenigd Europa: Een collectief dat zich op het gebied van humanitair en sociaal beleid buitengewoon inzet om mensen- en dierenrechten te bewaken, garant staat voor gelijke (gezondheids-)zorg en armoede bestrijdt. De toetreding van armlastiger landen (met name de ‘Oostblok-landen’ en Turkije) juich ik toe. Nog afgezien van de culturele verrijking zie ik het als de plicht van welvarend Nederland en Europa om deze landen dezelfde welvaart en (mensen)rechten – kansen, kortom – te bieden.
2. Het ter referendum voorliggende grondwettelijk verdrag voorziet daar ruim onvoldoende in. De nadruk ligt veel teveel op verdere liberalisering. Inhoud geven aan de ‘macht’die Europa wil hebben of zijn lijkt volgens de grondwet louter te kunnen door economische of militaire opwaardering. Slechts één keer wordt in de grondwet gesproken over een ‘sociale markteconomie’ (art. I.3, lid 3), maar wel met de toevoeging ‘met een groot concurrentievermogen’. Vervolgens wordt in het hele document enkel nog over ‘een open markteconomie met vrije mededinging’ gesproken, ‘waarin mededinging vrij en onvervalst is’. Nu hoeven die twee elkaar niet naar het leven te staan, ik zie ze evenmin samensmelten tot een elkaar aanvullend en opbouwend geheel. Ook in de rest van de grondwet komt het sociale aspect nauwelijks aan de orde, afgezien van de uitgesproken wil om ‘sociale vooruitgang’ te bewerkstelligen. Dat laatste hoort mijns inzien zeker in een grondwet thuis, maar is krachteloos als zo expliciet gestreefd wordt naar een kapitalistische unie.
Waarom in plaats van kijken naar hoe je een macht kunt zijn of het verwerven, niet kijken naar kracht? Hoe een Verenigd Europa krachtig kan zijn? En niet zoals de in deze grondwet zo vaak gebezigde woorden ‘krachtens’, ‘van kracht’ of ‘strijdkrachten’, maar juist op humanitair, solidair en sociaal gebied? Dát moet de basis zijn, de primaire grond waarop een vrije, goed draaiende economie kan stoelen. Niet andersom.
3. Het vergroten van Europa als wereldmacht door een machtiger militair apparaat op te zetten is buitenproportioneel (oprichting van het Europees Defensie-agentschap en ontwikkeling van ‘defensievermogen’) en een verkeerde stap, die bovendien niet eerst maar laatst zou moeten worden genomen. Macht komt pas in de laatste, gemankeerde plaats tot uitdrukking in militaire stootkracht: niet de mogelijkheid tot (militaire) dreiging, maar de mogelijkheid tot niet dreigen maar politiek eendrachtig optreden toont de ware macht van een collectief landen. Zolang er nog geen politieke of ideële consensus bestaat is het zeer onverstandig om een defensie-apparaat op te richten dat ten onrechte suggereert dat die consensus wél bestaat.
4. Een grondwet kan en mag niet gebaseerd zijn op compromissen. Het is ook niet nodig. Elke inwoner, elk land moet álle beginselen kunnen onderschrijven. Als de grond bij sommige landen of groepen inwoners van Europa ontbreekt kan van een grondwet geen sprake zijn. ‘De meeste stemmen gelden’ of een akkoord of grotere inbreng van ‘de zware jongens van Europa’ over de beginselen gaat per definitie in tegen het idee van ‘grondbeginselen’, en is bovenal onverstandig. Wel geschikt: mensenrechten. Niet geschikt: een beleidsvoorstel over defensie.
5. In hoeverre mogen of moeten oneigenlijke argumenten meewegen in de overweging om voor of tegen te stemmen? Niet. Oneigenlijke argumenten (tegen toetreding Turkije (Wilders), ‘Frankrijk een lesje leren’ (Balkenende), ‘bij een voorstem is er tenminste verandering’ (Bos), ‘een tegenstem is een stem tegen Europa’, ‘een ‘nee’ verkleint de cohesie tussen de Europese landen en doet afbreuk aan de Europese idee’ (diversen), ‘een stem voor Europa is een stem voor stierenvechten’ (PvdD) etc.)zijn gemakkelijk onschadelijk te maken, maar schrikbeelden over een in verval rakende EU en de verbrokkeling van het Europese ideaal zijn dat eveneens. Het zijn of ongeldige argumenten (‘lesje’ en ‘stierenvechten’), of slechts op niets gebaseerde toekomstvoorspellingen. Voorspellingen die eerder inspelen op angstgevoelens en onderbuik dan dat ze reëel zijn of kunnen worden onderbouwd. Dat die oneigenlijke argumenten bestaan, dat er onvrede en ressentiment is gaat niet aan me voorbij. Dat is echter niet iets om aan dit referendum te verbinden, dat gaat dieper en verdient een andere overweging of benadering. Om het zuiver te houden kan ik niet anders dan ze als irrelevant beschouwen.
6. Frankrijk, dat zondag een non uitsprak, had het ruim tweehonderd jaar geleden over ‘Liberté, égalité, fraternité’ (de toevoeging ‘ou la mort!’ even buiten beschouwing latend ;-)). Nu zal Frankrijk het door het non in (pan-)Europees politiek opzicht de komende tijd niet gemakkelijk krijgen, dat adagium hebben ze toch maar mooi voortgebracht. Het zou een uitstekende basis zijn voor een grondwet die zich richt op humanitaire en sociale grondbeginselen voor alle inwoners van Europa. Beleidsplannen, verregaande liberalisering en de grote nadruk op een vrije markteconomie zijn voor zo een belangrijk document te eenzijdig, te hermetisch, te politiek.

