We staan er nog steeds
Ze opent de deur naar buiten, de deur met die rare kruk omhoog. Vroeger stapten Franse landarbeiders door deze deur om snel een maal te eten en wijn te drinken, waarna men weer het land op ging. Nu stapt zij door die deur naar buiten. De onmogelijke manier waarop ik hier terecht ben gekomen vergetend, volg ik haar het donker in.
In het donker liggen voor ons de nu onzichtbare bergen die ons 's ochtends wakker imponeren en 's middags loomheid opleggen. Bergen die we in de namiddag betreden, rechts aanhoudend in het woud van dennen, lopend over een verscholen groene weide die zich ineens openbaart. Een groene weide enkel ontstaan omdat wij daar lopen.
Deze plek schenkt ons geheimen die we stilzwijgend kunnen delen.
De houten lantaarnpalen aan het landweggetje langs ons huis zijn alweer uitgegaan. Van zonsondergang tot een uur of elf 's avonds lijken ze al het door de dag verzamelde zonlicht even kwijt te moeten, van zich af te schijnen, om daarna weer plaats te maken voor de ontzagwekkende duisternis. Het geluid van rust - een soort zoem, een drone met vele fijne fluctuaties, als de ruis op een cassette die 'niets' heeft opgenomen - wijst je op alles om de stilte heen, en alles binnenin de stilte.
Ze praat over gedachten van de ander die je kunt voelen, ontvangen. Ze komen veel duidelijker door nu de wereld uitgebannen is door deze andere, onvermoede wereld, weg van het dagelijkse werkelijke. Haar stem klonk in mijn oren niet vaak zo helder, zo zuiver door de stilte die om haar woorden danst en de boodschap zo veilig mogelijk verpakt bij me brengt. Door de stilte krijgt het sterrendek boven ons ook de kans zich duidelijker in licht uit te drukken, ons te bereiken.
We staan tegen elkaar aan. Eerst met de gezichten naar elkaar toe, dan weer rug aan rug. Enkele vingers losjes verstrengeld, de blik gericht naar boven. Ik voel haar ademhaling, en mijn ademhaling die gelijke tred houdt. We staan eigenlijk symbool voor hoe we hier de hele week zullen zijn. Als één in de hypermarché, boodschaprennend tegen sluitingstijd, bij bosboomhuisjes en minibeekjes, vluchtend voor guepes, overgegeven aan het geblesseerde en brullende gevaarte dat ons over de berg en door het bos voert naar ons geheime onderkomen. Een plek zo onvermoed dat je enkel jezelf kunt zijn, met de ander kunt zijn, en kijken hoe het gaat.
"Het gaat goed, heel goed," dacht ik vaak. De waarheid voelen is gemakkelijk op zo'n plek, maar dat is niet iets wat je zomaar overkomt. Je moet er iets voor doen, je moet wennen aan het huis met een eng-boven en fijn-onder. Je moet het verschil tussen daar en thuis erkennen en omarmen. En dan merk je dat de tijd er buigzaam is, dat de paarden koeien bloemen innemend zijn. De bergen rondom houden buiten buiten. Zodat al het goede niet teloorgaat.
Als de Derde Wereldoorlog uitbreekt zullen we dat hier alleen te weten komen door de malle vaartuigen die hier soms overscheren. Straaljagers die zo uit Star Trek lijken te zijn gevlogen - twee puntige neuzen met een cockpit daartussen - waar Franse piloten met bolhoed op en sigaar in de mond het gebied waarnemen, onzichtbaar deelnemend aan de strijd. Ondanks die ene aanwezige enterprise - een houtkap - zal alles voorbij gaan aan dit gehucht. Jean zal zijn paarden blijven voeren, gele forellen kweken en in het Duits ("gelernt im Krieg") zijn overbuurman zwart maken. De tweeling zal heen en weer blijven fietsen op de oprit van hun ouderlijk huis. Als ze hun fietsjes ontgroeid zijn zullen ze, rijdend op een scooter, dit Franse dorpje vaarwel zeggen, of niet. En de postbode zal in zijn gele autootje de post blijven bezorgen en nooit weten dat de vrouw die Rue de la Senadaire nummer 17 vaak bezoekt, buiten op het stoepje op hem wacht, vol warme gevoelens.
We staan tegen elkaar aan, de blik gericht naar boven. Ze zegt dat als er leven buitenaards bestaat - lichtjaren hier vandaan, leven dat in staat is om ons te observeren - het ons mogelijk pas over enkele honderden jaren kan zien. Afhankelijk van de afstand van de voyeur staan we daar dus eigenlijk nog steeds, op die onverlichte weg. Tegenover die onzichtbare bergen, onder onverlichte lantaarnpalen, in stilte. Tegen elkaar aan, vingers los verstrengeld, de blik naar boven gericht.
We staan daar nog steeds.


