Sneeuw
Het deed me nog het meeste denken aan Achterwerk in de kast, wat ik vroeger op zondagochtend bij de VPRO zag. Met het gordijntje al opzij geschoven was de beeldbuis vanavond één grote etalage vol aandachtszoekers. Sommigen behept met enig talent, anderen er niet door gehinderd, maar vooral zo ontzettend veel mensen die gewoon op televisie zijn. Zoals eigenlijk alle mensen op televisie gewoon op televisie zijn. Hoe ze er komen, waarom ze er zijn, waarom we dat morgen allemaal weer zijn vergeten en dat dat er niet toe doet, hoe ‘het thuisfront’ kijkt en reageert op hun bekenden op televisie... ik voel dat ik er niet te lang bij stil moet staan.
Het is überhaupt nogal overweldigend voor me, televisie. Toen ik in augustus 2004 terugkwam van vakantie in Frankrijk – waar ik in Charleville-Mézières Arthur Rimbaud’s graf had bezocht en gelouterd terugkeerde – bleek mijn kabel afgesloten. Niet dat ik mijn rekeningen niet had betaald; ik kreeg juist nooit rekeningen. Nadat ik in maart 2004 in dit huis kwam wonen, bleek de kabel het nog gewoon te doen. Ik besloot het uit te zitten, kijken hoe lang het zou duren. In mijn zomervakantie, na zes maanden gratis kabel, moet er bij UPC eindelijk iemand wakker zijn geworden. Bij terugkeer restte slechts sneeuw op het scherm. En hoewel het nog volop zomer was, besloot ik het maar te laten sneeuwen.
Tijdens de live uitgezonden ‘begrafenis’ van Hazes in de Arena wandelde ik door mijn buurt, een frisse neus halend. Half Nederland keek en ik zag hoe half Nederland keek. Overal flikkerden dezelfde blauwachtige kleuren door gordijnen en lamellen heen de straat op. De moord op Theo van Gogh is voor mij een gebeurtenis in letters en woorden, in discussie en debat, maar niet in beelden. Net als de tsunami. Toen ik op internet her en der filmpjes zag opdoemen die je kon bekijken, filmpjes van golven die dorpen verslinden, mensen opslokken (‘te erg voor het journaal!’), heb ik niet geklikt. Als de keuze aan mij is – en dat was hij dus op dat moment - kies ik er niet voor om het te zien. Ik verkies de krant die ik elke namiddag in de bus krijg, de kranten die ik op mijn werk lees, en alle kranten die ik op internet kan lezen. Van de New York Times tot Pravda, van de Frankfurter Allgemeine Zeitung tot de China Daily. De enkele keer dat ik het journaal, RAM of Nova wilde zien kon dat ook via internet. Simpelweg gelukkig zonder televisie. Geen hoofdpijn van fluctuaties in volume, geen last meer van orakels en talking heads, geen gezap.
De aanleg van een snellere internetverbinding afgelopen maandag heeft daar op eigenaardige wijze verandering in gebracht. Ja, ik wist wel dat ik daar ook vier Big Brother-zenders bij zou krijgen, en voetbal, maar dat is wel het laatste waarom het me te doen was. Ik had de monteur bijna gevraagd de televisie maar niet aan te sluiten, maar hij was zo geconcentreerd bezig zijn taak uit te voeren, volgens het boekje, dat ik zijn werkproces niet wilde verstoren. En tot mijn grote verbazing blijk ik nu – naast die onzinzenders – ook gewoon weer de drie Nederlandse netten te kunnen ontvangen. “Die krijg je er standaard gratis bij, al heeft eigenlijk iedereen ze al.” Af en toe heb ik in de televisieloze periode wel eens iets gezien. Bij mijn lief, bij mijn ouders. Maar dat is niet hetzelfde als alleen tegenover het scherm zitten. Dinsdagnacht keek ik voor het eerst weer, de herhaling van Nova (puur omdat ik op Radio 1 had gehoord dat er iets interessants werd uitgezonden. Zelf was ik simpelweg vergeten dat ik dat ineens weer kan doen, afstemmen op een programma. Radio 1 is de nieuwe televisie, voor mij). Fijn, leuke uitzending, prima. Maar vanavond was de televisieactie voor Pakistan, en mijn nieuwsgierigheid nam tegen beter weten in de overhand.
Wat ik zag? Oude wijn in nieuwe zakken. Na een jaar sneeuw ben ik anders naar televisie gaan kijken, meer onderzoekend, als ware het iets vreemds. Dat harde, vervelende blikken televisiegeluid, de opzichtige make-up van de presentatoren, de gladde productie; het was niet nieuw voor me, maar is het nu wel weer. Ik hoorde de burgemeester van Zoetermeer trots zeggen dat zijn ‘gemeenteraad met haar gulle hart’ had besloten geld te geven. Polsstokhoogspringer Rens Blom kon nog niet precies zeggen hoeveel zijn sponsor zou geven, want ‘bij DSM zijn ze er nog niet helemaal uit’. De directeur van een keukenbedrijf drukte me op het hart toch vooral mijn keuken bij hem te kopen, want dan doneerde hij een tent ‘aan Pakistan’. Ene MC Paco deed een rapje voor het goede doel, en wiens zang laat je anders horen tijdens de vertoning van emofilmpjes dan Bono? Toen ook nog per ongeluk overgeschakeld werd op het geluidsspoor van een hoorbaar geïrriteerde Maartje van Wegen (‘jongens jullie moeten meer beelden laten zien!’) vond ik het wel genoeg eigenlijk.
Zonder ook maar iets af te doen aan de bedoeling achter dit televisieprogramma, beseffend dat dit nu eenmaal het meeste geld opbrengt voor een waar goed doel, ben ik na anderhalf uur televisie opnieuw genezen. Televisie is de norm. Het is zo alom vertegenwoordigd, zo binnengedrongen in het gezamenlijke gestel, dat me dikwijls wordt gezegd – nee, verweten – dat ik het als journalist, als hoofdredacteur nota bene, toch niet kan maken geen televisie te kijken? ‘Een journalist hoort midden in het leven te staan. Hoe rot ook, televisie is onderdeel van dat leven.’ Het fijne is echter dat die constatering inmiddels wel gedaan is. Ik weet wel dat het een substantieel onderdeel van het leven is, maar daar hoef ik niet elke dag opnieuw aan herinnerd te worden. Ik hoef me er niet over blijven te verbazen. Nieuws neem ik anders en elders tot me, rustiger en evenwichtiger, in woorden. Ik behoor niet meer tot de groep die zegt dat Hart van Nederland slecht is en het NOS Journaal goed. Voor mij zijn ze hetzelfde geworden. Beide hoogst oninformatief, kortzichtig, onnodig populistisch en bovenal zo ontzettend selectief dat ik nieuwstelevisie in journaalvorm niet meer serieus kan nemen. Journaal-items zijn stuk voor stuk miniatuur televisieacties. Te gekleurd voor nuance, en de waarheid te snel af. Ik houd niet van het menu van de dag; ik kies liever zelf wat ik tot me neem.
Even geduld AUB. Ik kan niet uitdrukken hoe blij ik was met vandaag. Het was zo een zonnige dag temidden van de nakende herfst. Herfst die ik eerder altijd als vriend beschouwde, maar waarvan ik het nu niet zo zeker meer weet. Misschien moet ik me maar vast richten op de winter. Ik zal het scherm en mijn wereld weer laten sneeuwen.
Vlindereffect
(klik voor groter)Een jaar geleden sloeg Omar zijn vleugels uit in de blogosfeer. En uitslaande vleugels brengen de lucht rondom in beweging. Ik zweefde deels in dat rondom, omgeven door muziek en de passie voor ‘Frans tuig’, dromen en bovenal het onstuitbare schrijven. Ik voelde de bewegende lucht door mijn haren woelen, en de blazende Droommachine spoorde me mede aan om met mijn Dronken Schip de digitale baren op te zoeken.
Zijn voornemen, vanaf het begin, om het bij een jaar te laten en dan te stoppen, heb ik altijd bewonderd. Dat hij woord gehouden heeft wekt geen verbazing: voornemen is voornemen en als ik Omar eens een structuralist mag noemen is het nu wel. Het voorop gestelde einde van de Droommachine heeft zijn productie zowel kwantitatief als kwalitatief goed gedaan, maar lijkt hem bovenal in staat te hebben gesteld om zijn punktum te verlengen, om alvast vooruit te denken en de bakens te verzetten. Nieuwe post-blog projecten staan al op stapel, latere tijd gaat niet verloren. Ik ben benieuwd.
De bewegende luchtstroom nam fors in kracht toe nadat ik zelf mijn blog was gestart. Niet alleen vond ik met Het Dronken Schip – dat nu bijna een jaar op zee is – een nieuwe vorm om gedachten en gevoelens te beschrijven, de wind die maar doorblies reikte veel verder dan deze blog alleen. Dit Butterfly Effect heeft me uiteindelijk zelfs ook haar gebracht, zij, de Vrouw. Mijn lief. Nadat de Droommachinist in café Vaaghuijzen Matthew Johnson’s Marionette had opgezet, heeft hij dat kunnen zien. Ze zat naast me aan de bar. En ze zit nog steeds naast me.

