2007 #04 - Burial

In 2003 herdacht ik op KindaMuzik de dood van drum 'n bass (I.M. Drum 'n Bass, 1993-1999). Het In Memoriam was bedoeld als verbeelding van de dood van het Techno-Utopia. Drum 'n bass bouwde zes jaar lang aan de onsterfelijkheid, vocht een vrijheidsoorlog, maar sujeten in het genre pleegden karaktermoord op de wegbereiders door zielloos broddelwerk uit te brengen, dat niets meer met het verheven ideaal van drum 'n bass te maken had. Het was het verraad van de massa aan de voorhoede. Ik had zo graag gezien dat Source Direct en hun zielsverwanten het genre van de wisse dood van onverschilligheid en kortstondig hedonisme hadden gered, maar ze konden het niet alleen.
Source Direct had oog voor de duistere, minder fraaie kant van het bestaan. Het technologische ideaal moest zorgen voor de acceptatie en incorporatie van nihilisme in muziek en in het leven. Maar ze verloren de strijd, kregen ook geen bijval, en nihilisme en depressie bleven leprozen in de dansmuziek. Ze werden weer veilig op afstand gezet, als een gevaarlijke en ongewenste entiteit waar je vooral niet mee in aanraking moest komen: een totale ontkenning van de realiteit, want nihilisme en depressie zijn, altijd al, en zullen blijven zijn.
Een gemiste kans dus, om het eens eufemistisch uit te drukken. Angst en een donker toekomstbeeld zijn altijd aanwezig. Het zijn de geesten die om ons heen draaien, in ons zitten. En als het ergens al zo 'ontwikkeld' is, dan is het in Londen anno 2007 wel, als we Untrue mogen geloven. Een gespleten wereld, met de underground als kloppend gezwel vol frustraties en donkere gedachtenmaterie. Een gezwel dat ooit wel zal moeten barsten.
Wonderbaarlijk en zeer gewenst is dat dit nieuwe existentialisme, of de ruimte tussen het zijn en niet-zijn zoals Mark K-Punk het zo treffend omschrijft, de afgelopen tijd een nieuwe vaandeldrager heeft gekregen: een anonymus die onder de naam Burial vanuit die underground muzikaal bericht. Burial's muziek is een soort ooggetuigeverslag van een stadsguerilla, van de diepe nacht van het leven. En dat leven, het uitgaan, het blijkt (opnieuw) allemaal niet meer enkel leuk te zijn. Het is ook kil, leeg, vol verdriet. Natte ogen, altijd op je hoede voor het onheil, uitkijkend naar eventuele ontsnappingsroutes. Om de nacht maar te overleven; in roes, maar met het litteken van verloren onschuld. Alweer.
Burial is ook terecht op het schild van de hauntology gehesen, voor mij de luchtbrug terug in de tijd, naar het einde van de drum 'n bass. Hauntology - een door Jacques Derrida geïntroduceerd begrip, 'John Doe' legt het uit - in geluid spreekt van het horen van geluid dat er niet meer is. Van vergeten herinneringen (zie The Caretaker), van de spoken die de geschiedenis weer bij ons brengen terwijl we het zo vaak niet begrijpen maar enkel voelen, in terechte ongemakkelijkheid.
De hypegevoeligheid van het predikaat hauntology in de muziek is evident, maar ik pas er voor. Omdat ik geloof dat die onzichtbare kritieke massa om ons heen alleen maar groeit. En dat het meer over onze tijd zegt dan veel mensen in de gaten hebben: de geesten om ons heen drukken onze angst uit, niet hun eigen angst. Geesten - behuisd in verloren geluiden die plotseling terugkeren - kennen geen angst, ze voeden zich enkel met de onze. En het is noodzakelijk dat te zíen.
Untrue is compleet overtuigend en overrompelend omdat het zo rauw klinkt: dit is non-fictie, het is écht. Een verkeerd afgestemde versterker die urgente geluiden van vroeger oppikt en doorstuurt, gemixt met de van angstzweet druipende beats en echo's van volgend jaar. Doorsneden met ambientflarden die alarmerend herinneren aan dat vroeger dat je nog niet kent. Het is echt in de glorieuze angst en lelijkheid, in het spook van nihilisme, dat niet bestreden wordt, maar enkel getoond. Het is echt in het niet langer ontkennen.
Burial gebruikt het ideeënarme en loze 2-step om datzelfde genre - ooit de nekslag voor de drum 'n bass - binnenstebuiten te keren en af te rekenen met de nietszeggendheid. Dat is niet een kwaliteitsinjectie in de 2-step, maar de herrijzenis en juiste transformatie van de drum 'n bass van de vrijheidsstrijders. Dit is muziek die zo barst van het leven, doordat het vergane eeuwen bestrijkt.
Op Untrue kijk je het universele, tijdloze wezen van de angst en van het duister, van ons in het gelaat. Blijf kijken. Na de verstijving komt de bevrijding.
WWW: Burial
MP3: Burial - 'Archangel'
2007 #05 - The Beautiful Schizophonic

'On se souvient d’une atmosphère parce que des jeunes filles y ont souri', en 'L’amour, c’est l’espace et le temps rendus sensibles au coeur'. Deze twee titels van The Beautiful Schizophonic's Musicamorosa maken twee dingen duidelijk. 1) Portugees Jorge Mantas houdt van Marcel Proust, 2) Hij is een estheet van het zuiverste soort. Beide niets mis mee. "Weinig is zo nietszeggend dan nummers die 'untitled' heten," liet Mantas zich al ontvallen. Kijk naar de tracklist van Musicamorosa en je ziet die opvatting dik onderstreept.
De nummers zijn allemaal vernoemd naar regels uit het werk van Marcel Proust, en dan vooral uit 'A la recherche du temps perdu'. En dat is inderdaad veelzeggend: Mantas maakt mysterieuze, neo-romantische ambient. Zijn drone-composities geven zichzelf langzaam prijs, waardoor de spanning steeds wordt opgebouwd. Het eindpunt is nooit duidelijk. Op Musicamorosa staan elf schetsen, flarden muziek die gevoelens van vertedering en verwondering oproepen. Stuk voor stuk zijn het vluchtige dromen, als de verklanking van een zomerse flirt, ooit, jaren geleden.
Het is muziek die zich overduidelijk voedt met je eigen herinneringen; dat maakt de muziek pas af. Toen ik dat stadium bereikt had vielen ook de schellen van eruditie en pretentie van The Beautiful Schizophonic - gebruikt om de muziek aantrekkelijker te maken - af. Die waren niet meer nodig. De muziek trekt me mijn eigen herinneringen in, en de muziek blijkt een uitgesproken voorkeur te hebben voor de meer aangename herinneringen. Onduidelijke flitsen of vage herinneringen van vluchtige gelukzaligheid. Juist die momenten blijven bij mij soms in onvolledigheid bestaan, maar worden door Musicamorosa omhuld en gedragen.
Het nummer 'La Lectrice', op de helft van de plaat, bestaat enkel uit een door Cécile Schott (Colleen) met zwoele stem voorgedragen stuk van Proust. De muziek is even weg, als het ware achter Colleen gedoken om over haar schouder mee te lezen, te luisteren, om daarna met hernieuwde inspiratie en herinneringszucht weer verder te gaan. Een hoogtepunt op de plaat: het verbindt niet alleen het literaire aspect met de muziek, het literaire, de voordracht, wordt zelf muziek.
Als het goed is valt over enkele dagen een cassette met de zeven delen van Proust's 'À la recherche du temps perdu' bij me op de mat. Ik ben benieuwd of het lezen ervan datzelfde verbindende effect sorteert. Dat leven en herinnering op metafysisch niveau muziek wordt, vloeiende muziek. Maar zo niet, dan is The Beautiful Schizophonic er altijd nog om die staat van geest zo levensecht te simuleren.
WWW: The Beautiful Schizophonic
MP3: du fond du sommeil elle remontait les derniers degrés de l’escalier des songes (m3u)
2007 #06 - Stars Of The Lid

Zelf had ik het eigenlijk ook niet verwacht, in de top tien nu al een stukje over de door mij meest vurig geanticipeerde plaat in jaren. Voorganger The Tired Sounds Of... is een moderne klassieker, een mijlpaal in het subgenre dat Adam Wiltzie en Brian McBride zelf hebben gecreëerd. Dat deze plaat niet hoger staat, betekent niet dat het een teleurstellende plaat is. They duly delivered. Hooguit is men zichzelf niet wederom ontstegen, maar dat mag nauwelijks een verwijt heten; het is slechts het gevolg van absurd hoge verwachtingen mijnerzijds.
Beide heren hielden zich in de afgelopen zes jaar - na het uitkomen van The Tired Sounds Of... in 2001 - vooral bezig met hun soloprojecten, The Dead Texan en Brian McBride. Interessant is om te zien hoe ze elkaar na dit soleren muzikaal weer tegemoet zijn getreden. Er blijkt wel het een en ander veranderd te zijn. And Their Refinement Of The Decline is geen The Tired Sounds Of... deel twee. Waar die laatste bestond uit enkele bepalende, maar van kleur verschillende ambient-suites, vormen alle zestien composities op de nieuwe plaat meer een geheel.
(Ik vind het fantastische muziek, dus als ik over enkele ogenblikken zeg "en daar wringt het een beetje", zeg ik dat met alle egards en het meest denkbare respect) En daar wringt het een beetje. And Their Refinement Of The Decline is vloeibare ambient: een ontzagwekkende, welhaast amechtige stroom aan droomgeluiden. Het wekt ontzag zoals een besneeuwde berg dat doet, zoals de Eiger die mij stil maakte van binnen, in 2001.
Maar in tegenstelling tot de Eiger - die in onbeweeglijkheid voor altijd dat ontzag zal blijven uitstralen - is And Their Refinement Of The Decline me soms wat al te vloeibaar, en op enkele momenten wat 'dun' (zoals in 'Don't Bother They're Here'). Het ontzag maakt dan plaats voor 'simpel' genieten; een fijn gevoel, maar niet iets dat zich brandmerkt op de ziel. Misschien is het uiteindelijk wel de zomeravond-melancholie van The Tired Sounds Of... die ik af en toe mis. Met And Their Refinement Of The Decline is het makkelijk in vervoering te geraken, maar in vervoering blijven lukt slechts bij momenten.
Toch blijft dit alles een opbouwende, grotendeels instemmende critique. Het is moeilijk werkelijk kritisch te zijn als de twee Texanen opnieuw met zo'n prachtige plaat komen. In 'Even If You're Never Awake', 'Daughters Of The Quiet Minds' en 'December Hunting For Vegetarian Fuckface' ontsluit het duo weer zoals 'gewoonlijk' het portaal naar de schaduwwereld, waar bloeiende dromen wuiven in het veld. Zoals ik al zei, ze overstijgen zichzelf dit keer niet. Maar dat is geen teleurstellende conclusie. Want als je het omdraait betekent het dat ze hun extreem hoge niveau gewoon weer hebben evenaard.
WWW: Stars Of The Lid
MP3: Stars Of The Lid - 'Apreludes (in C Sharp Major)'
2007 #07 - Arve Henriksen

John Cage, die deze anekdote noteerde in zijn boek 'About Indeterminancy' (klik op de asterisk linksboven, lees, en herhaal die twee stappen tot in het oneindige), was zen boeddhist en fervent paddestoelenzoeker en –eter. Ik denk dat hij, wanneer struinend door bossen over de hele wereld, de stelling van de dame van harte zou onderschrijven. En misschien denkt Arve Henriksen er ook wel zo over. Het zou me niets verbazen.
Trompettist Arve Henriksen maakt er geen geheim van eveneens een zen boeddhist te zijn, en daaruit ook de inspiratie voor zijn muziek te halen. Voor zijn nieuwe album Strjon ontsloot hij zijn privé-archief met veldopnamen, "to look into those sounds and material to search for a history, moods and perhaps to understand a little bit more and maybe discover some reasons for why I play like I do," zoals hij zelf zegt.
Geluid, veelal opgenomen temidden van de schoonheid van de natuur in en rondom Stryn, zijn geboorteplaats in Noorwegen (de albumtitel is de Middeleeuwse naam van het dorp), vanaf zijn zestiende. Een duik in de Natuur, in zijn vroege geluiden, om te zoeken naar een antwoord. Dat antwoord luidt Strjon.
Het resultaat is verbluffend. Henriksen bezit de gave om je met uiterste spaarzaamheid qua klank en structuur een sprookjeswereld binnen te lokken, die je niet meer wilt verlaten. Arve Henriksen roept een wereld in herinnering terwijl je die wereld nooit hebt gekend. Dit is de romantiek, het geweten van de Natuur. Requiem-esque maar telkens weer opverend, levend, als de laatste adem lijkt te zijn uitgeblazen.
Strjon begint met ‘Evocation’, een ijzige lokroep, die de gevallen bladeren – eenmaal de schok te boven – terug de boom in doet schieten. De plaat toont vervolgens nauwgezet de grauwe verfstreken waarmee Henriksen zijn omgeving schetst. Grillig en rauw, storm en regen. Muzikale elementen die rechtstreeks uit het bos lijken te zijn geraapt. Dronend en woekerend mos, de harmonie van krakende taken, bloei en vergankelijkheid... Maar ook de langzaamheid waarin zulks zich in het geniep kan voltrekken.
De machinale drones, de Phaedra-synths, de desolate piano... ze reiken tot grote kilte, maar dan is er telkens weer die trompet... Als de zon onder het ijs, klaar om je te ontdooien. Als je diep van binnen gelooft dat de Natuur ‘beter’ is dan de Kunst, is Strjon de meest passende wijze om die Natuur respectvol maar nietsontziend te eren.
WWW: Arve Henriksen
2007 #08 - Rafael Anton Irisarri

De striemende wind waait ongenadig over het land. Gebouwen, asfaltwegen, stoplichten zijn overmeesterd door resten woekerend groen, gehuld in een dikke laag ijs. Autowrakken zijn half vergaan, hebben zich overgegeven aan de wetmatigheid van deconstructie, van vergankelijkheid. Met hen is ook de rest van de mensheid uiteen gevallen. De bouwstenen van het voorbije menselijke leven liggen verspreid over de ijslaag waarin geen enkele ader meer klopt, geen bloed meer stroomt. Als bevroren vingers en tenen: geen gevoel.
Op een strand aan een bevroren oceaan staat half onder de sneeuw een piano. De toetsen zijn eerst vochtig geworden, daarna uitgezet en vervolgens uit hun bedding gebarsten. Er liggen nog een paar scheve witte en zwarte toetsen. De snaren staan ondraaglijk strak, bevroren. Een beschadigd muziekdoosje voor een toekomstige generatie, voorbij de nieuwe ijstijd.
Ik kom langzaam dichterbij, wrijf de sneeuw van mijn gezicht en open de krakende vleugel. De snaren beginnen langzaam te trillen, brokken ijs loslatend. Mijn betrekkelijke warmte herschikt enkele toetsen tot in hun oorspronkelijke positie. De piano begint te spelen. 'Wither', van Rafael Anton Irisarri. Her en der vallen klanken naar beneden in het sneeuwzand, botsend op nog bevroren snaren. Angstaanjagend heldere, door de dood overwonnen klanken.
Als eenmalige kristallen gaat het geluid op in de sneeuwmassa. Nog tijdens het resoneren worden de klanken ijsdruppels, ijsdruppels die zichzelf in dienst stellen van het grotere, van de paradoxale eenheid van ijs. Terugkeren naar de oorspronkelijke staat zal nooit meer mogelijk zijn. Net zoals de mensen, lichamen, onder het ijs nooit meer als geheel hun oorspronkelijke mens kunnen worden. De specifieke bouwstenen zijn opgegaan in het geheel, het ijs, dat enkel een dna-spoor of huid met zich mee torst. Je valt, en wordt als druppel één met al het andere water.
En zo vallen er klanken, zowel ritmisch als onregelmatig, begeleid door het huilen en snerpen van de wind. Het palet aan geluid wordt steeds spaarzamer. De sneeuwstorm op het strand neemt toe. Doordat ik de piano geopend heb raakt de muziekdoos snel verstopt met sneeuw. Ik kan weggaan en dit prehistorische genot van klank in mijn koude hoofd ontelbare malen herhalen. Maar ik kan ook blijven, blijven bij deze kapotgevroren snaren.
Langzaam kruip ik in de piano, koud het bibberen voorbij. Ik ga zitten op de berg sneeuw waarin de vallende klanken net zijn opgegaan. Hoor de verloren klanken in mijn hoofd. En wacht geduldig tot ook ik verloren ga, ontbind, en versmelt met de voorbije muziek. Wetende dat als de ijstijd ooit voorbij is, ik samen met die klanken zal versmelten, en in liquide vorm over de aarde zal zwerven, samen met de gesmolten klanken onderdeel van iets nieuws, van één geheel.
WWW: Rafael Anton Irisarri
MP3: Rafael Anton Irisarri - Whither (edit)
2007 #09 - Susanna

Nu staat een producer altijd in dienst van de artiest, maar bij de negen gastleden op Sonata Mix Dwarf Cosmos mag je producer Deathprod gerust optellen. De meester van de gitzwarte Scandinambient is bepalend voor het geluid op Susanna's eerste soloplaat. Met zijn spaarzaamheid en liefde voor stilte dwingt hij Susanna naakt, eerlijk en behoedzaam te opereren. Hij heeft de deur dichtgegooid voor al te veel ruis of invloed van buitenaf.
De chanteuse kan enkel terugvallen op haar heldere maar broze stemgeluid. Elke gedachte, elk gevoel, komt mee met haar stem, die trilt bij lichte twijfel, of bij overtuiging lang aanhoudt tot een natuurlijke, ongeforceerde fade-out. Het resultaat is een bescheiden meesterwerk, waarin Susanna straalt temidden van hogeschool-minimalisme in het songwriters-genre.
Sonata Mix Dwarf Cosmos ervaren is als het rijden door een mistig landschap. Ik heb het meer dan eens gedaan. De enige helderheid in de omgeving is de plek waar je auto op dat moment rijdt, waar je zelf bent. Voor, achter, naast en boven je, steeds slechts enkele meters van je vandaan, staat een muur van mist, ondoorzichtelijk en niet doorheen te denken. Voor je de toekomst, vaal beschenen door de koplampen, en achter je het verleden, dat slechts af en toe waarschuwend rood oplicht door de remlichten. Toch is bij het doorrijden die muur die je voor je zag doorbroken. De plek waar je je bevindt is altijd de helderste.
Zo reisde ik talloze malen met Susanna over een ongewisse weg. Fluisterzingend naast me gezeten hield ze mijn nu helder. Haar indringende, zijdezachte stem zorgde voor tegenwoordigheid, zorgde dat ik het moment nog kon waarnemen, al die mist om me heen ten spijt. Ik heb er vele extra kilometers door gereden, er vol vertrouwen onbekende omwegen door genomen. Gelijnd aan haar sussende, leidende stem, is het onmogelijk in de mist te verdwalen.
WWW: Susanna
MP3: Susanna - 'Home Recording' (via Pitchfork)
2007 #10 - Eluvium

Beter kon 2007 niet beginnen, met Eluvium's Copia. Voorheen bracht Matthew Cooper altijd een keurige scheiding aan tussen zijn ruwe, ongepolijste ambient en zijn pianomuziek. Een ambientplaat (Talk Amongst The Trees), en dan weer een plaat met solo-piano (An Accidental Memory in Case of Death). Op Copia brengt hij ze voor het eerst samen. Dat gaat niet zonder compromis; de piano neemt al snel de leiding, en gidst je door een dromerige wereld. De piano temt de rauwe ambient, onderwerpt het weldadig fragmentarische aan het 'kleine' melodieuze.
Cooper gaat ver in die onderwerping van wat eigenlijk zijn fundament is - druistige herfstambient - maar net niet té ver. Arm in arm zorgen zijn zorgvuldige piano-leitmotiv en de daar omheen cirkelende ambient voor prachtige miniatuur-symfonieën. Het gedragen 'Prelude To Time Feelers' leunt zwaar op de simpele piano-melodie, maar krijgt gaandeweg steun van zwierige, doch nederige strings, om bij een soort verlichtingsutopie uit te komen. Het sub-aquatische epos 'Indoor Swimming At The Space Station' - doorspekt met het geluid van dolfijnen - is al even hoopvol en meevoerend.
De rafeligheid, die ruwe randjes die je dacht te missen, ben je dan al lang vergeten. Copia drijft je je dromen in en blijft je daar op gepaste afstand schaduwen. Niet als vangnet 'voor het geval dat', maar als blijmoedig en wijs sympathisant.
WWW: Eluvium
MP3: 'Prelude To Time Feelers'
Bonanza 2007: De eindafrekening

Weinig geprononceerd, nauwelijks momenten van extatische ontploffing, exotische verrassing, weinig lyriek: 2007. Des te meer traag, borrelend, onderhuidse spanning, langgerrekte geneugten, een roes in slow-motion, subatomaire verbeelding in de stilte onder water.
Een ambient jaar, kortom, in velerlei opzichten. Een jaar van de lange adem, van verdieping en de onophoudelijke queeste daarnaar. Mijn muzikale jaar loopt daar uiteraard parallel aan. Ik vond het moeilijk geduld op te brengen voor uitgesprokenheid, voor dat wat er al staat, dat wat al duidelijk is en zich direct toont zoals het is. Het was veel meer willen woelen, voelen, zoeken, het ontdekken van kleine rimpelingen en oneffenheden. Het trok me oneindig veel meer dan duidelijkheid.
Geen 'pop' dan ook, in deze eindrekening. Beirut's The Flying Cup Club, Rufus Wainwright's Release The Stars en Roy Santiago's Broca, allemaal prachtige platen. Voor die momenten van overgave, van 'dit zit gewoon goed'. Om vaak naar terug te keren ook. Mooi zijn eveneens de postrock van This Will Destroy You (s/t), Fennesz & Ryuichi Sakamoto's Cendre en het angstaanjagende, nihilistische The Funeral Album van A Journey Down The Well. En onder het kopje way out there de perfecte pop van Panda Bear. Daarnaast, in de buitencategorie, de ontdekking van Bach's Cello Suites, Schubert's Winterreise en Piano Sonatas, en de denderende symfonieën van Shostakovich. Blijvend.
Maar het grondbeginsel van ambient, de dubbele lagen en het mysterie, was het discours dit jaar, mijn dictie. Unheimlich, intrigerend, duister, fascinerend, diep. Een onduidelijk uitgangspunt en een ongewisse afloop. Op zoek, glijdend en klauterend, schuivend tussen de tijd- en realiteitslinies door.
Als het jaagt
Als het jaagt, als het jaagt,
onder ziedende dekens met het hoofd vol
war op een brandend kussen,
als het jaagt, als het jaagt,
lift ik op de rokende hopen langs oude vrienden,
de sukkels, die ongewenste passanten zijn terug,
met de verscheurende keurigheid van Swinburne
of een Chatterton wiens overspelige tong
zich splijt en me terug spuugt in het Toen.
Alle gedroomde helden van wat ik dacht mijn nu,
zo werkelijk als jas en scheermes, fles,
laten het afweten, zijn bezeten
door geesten die ik ooit begroef, voor altijd, zand erover, toch?
Het ooit zo roze porselein, het ik als borstbeeld,
valt door de grond en valt verder,
en ik vlucht weer in de lege droom,
struikelend over mijn eigen misverstand.
Als het jaagt, 's nachts,
en - hoor! - ik niet wil luisteren,
niet weten,
van ondergang of zwart/witte regenbogen,
word ik wakker en droom ik.

