Deep Throat
Afgelopen dinsdag, op mijn drukste journalistieke werkdag van de week, maakte de voormalige plaatsvervangend directeur van de FBI, Mark Felt, bekend dat hij Deep Throat is. Ineens zag ik de headline op een nieuwssite staan. Klik naar The Washington Post. “Post Confirms Felt Was Deep Throat”. Ik klikte het artikel niet aan maar staarde wat. De drukte van de dag en duizenden gedachten kwamen in één klap tot stilstand. Shell-shocked. Ontzet en verbijsterd zei ik stamelend tegen mijn collega: “... Deep Throat heeft zich bekend gemaakt.” Omdat ik hem zág graven in zijn geheugen besloot ik het niet uit te leggen. Dat voelde simpelweg als een belediging. Ik hoef een journalist toch zeker niet uit te leggen wie Deep Throat is?!
Eind lagere school had mijn interesse voor journalistiek zich al gemanifesteerd. Watergate en de magistrale omverwerping van Nixon door Woodstein: sinds ik het verhaal kende (uit zo’n klein genummerd infoboekje uit een serie die vroeger in de bibliotheek op de basisschool stond) wist ik genoeg. Niks Superman of De wondersloffen van Sjakie... Dit was hét! Het mooiste jongensboek, een romantische jongensdroom waarover het oneindig fantaseren was. Het beroerde diepe gevoelens in me die ik pas jaren later zou begrijpen. De heroïsche journalist, de val van de schurk, en de spin in het web: de mysterieuze insider, Deep Throat, die met gevaar voor eigen en anders’ leven een imperium ten val brengt en ingrijpend geschiedenis schrijft. Dat is nogal wat, voor een jongetje van elf. Met een vriendje had ik indertijd een detectivebureau opgericht. Mijn codenaam was LC-DC (verifieerbaar met de op een matrixprinter uitgeprinte ID’s die we bij ons hadden). Onze onderzoeksactiviteiten beperkten zich tot het achtervolgen van meisjes na schooltijd, een zeer serieuze aangelegenheid. En we gebruikten de trucs van Bob Woodward – Deep Throat’s enige contactpersoon, Carl Bernstein ontmoette hem pas nadat Nixon was afgetreden. Een opzij geschoven gordijn (bij gebrek aan een bloempot) betekende dat mijn collega-detective – als hij langs mijn huis fietste – bij me aan moest bellen omdat ik breaking news had! En omdat de slaapkamer in het ouderlijk huis al te gehorig, en misschien wel gebugged was, vroegen en kregen we op onze verjaardag matching walkietalkies. In mijn roze dagboekje mét slotje kon ik de vorderingen van onze onderzoeken nauwgezet bijhouden, teneinde het mysterie volledig te ontrafelen.
Het is gewoon waar: Watergate en in het bijzonder Carl Bernstein, Bob Woodward, de standvastig en immer zijn journalisten verdedigende editor-in-chief Ben Bradlee en Deep Throat zijn er deels verantwoordelijk voor dat ik journalist ben geworden. Het waren mijn enige, ware helden. Want na die eerste vroege onderzoekscapriolen las en zag ik All The President’s Men (Robert Redford’s beste rol ooit), Nixon’s Last Days en was ik voorgoed verkocht. Ik werd ouder, maar met de kennis en het begrip van de affaire kwam enkel meer bewondering. Ook realisme en nuance, maar de magie bleef. En dat was voor een groot deel toe te schrijven aan Deep Throat. Want hij was veel meer dan een simpele informant: Deep Throat was de primaire behoefte van alle onderzoeksjournalisten, de Moedige die niet alleen rottigheid wilde lekken maar ook vertrouwen had in de journalistiek, en: de belichaming van rechtvaardigheid. Dat drie mannen in staat zijn zo een omvangrijk netwerk van fraude, corruptie en leugens tot in de kleinste details te ontrafelen stemt niet alleen hoopvol; het ontroert me tot in het diepste van mijn ziel. Het ontroert omdat de belangrijkste man in dit geheel, in deze verrukkelijke geschiedenis, zo ongelofelijk zelfopofferend en onbaatzuchtig was. Hij had geen zucht naar roem, geen hang naar erkenning, nee: het recht moest zegevieren. Dat was niet alleen zo, dat bleef ook zo.
Tot nu. Als je 91 jaar bent en al 33 jaar zwijgt over het enorme tweede leven dat je hebt geleid en zo een onvoorstelbaar, jeukend geheim verborgen houdt, kan ik me heel goed voorstellen dat je het alsnog uitschreeuwt. “I’m the man they called Deep Throat.” Inderdaad, dat was jij, en je was simpelweg fantastisch. De grond waarin Felt bij zijn sterven begraven wordt zou niet opgewassen zijn tegen iemand die zo’n zwaar geheim met zich meedraagt. Ik gun alle respect en waardering die hem nu toekomt enorm. Maar tóch is het ook dood- en doodzonde. Niet enkel omdat mysteries soms beter mysteries kunnen blijven. Maar ook omdat met zijn coming-out het bijna metafysische idee van De Anonymus, de onbekende en ongrijpbare do’er of good om zeep geholpen wordt. Niet dat ik het niet wist, maar ik wilde graag anders geloven: Deep Throat was dus toch gewoon een mens, met kleinkinderen en kortgeknipt gazon, die bovendien licht dementerend is (dat vooral is schrijnend: wilde hij het wel écht bekend maken? Woodward’s reactie over de coming-out: “I’m not fully comfortable about it.”).
Dolgraag was ik blijven geloven dat in 1973 vuur met vuur bestreden werd: een onzichtbare, ongrijpbaar handelende president wordt door zijn evenbeeld ontmaskerd. Deep Throat toonde aan dat regeringen en systeme waarop we geen invloed denken te hebben tóch door mensen gecorrigeerd kunnen worden. Dat de wereld nog steeds niet weet wie Deep Throat was en hoe hij Richard ‘crook’ Nixon demaskeerde. Het mag niet zo zijn, en dat stemt me ergens heel droevig. Ik ben nog steeds blij met de impact die het op me heeft gehad, maar ik had dat zo graag voor altijd behouden. Die droom van dat elfjarige, enthousiaste journalistenjongetje in mij eindigt, en dat voelt net zo vervelend als ontwaken uit een prachtige droom. De elfjarige detectives van nu zullen dat romantische, fantastische en hoopgevende ideaal aan iets anders moeten ontlenen.
Lees 'How Mark Felt Became 'Deep Throat' van Bob Woodward.

