De nachten (1)
Zoon van de gastheer, blijk ik, en in de gedwongen rol van de beleefde ontvanger van de gasten. Het huis stroomt langzaam vol met mensen en rumoer. W draait hele slechte muziek. Even overweeg ik in te springen maar voel er eigenlijk niets voor. Ik ontsnap naar boven. Naar dat beklemmende gastenverblijf, ingericht in lelijk jaren ’70 oranje, met stof en kruimels op de bank. De naargeestigheid van dat hok jaagt me snel weer weg, ik hou beneden mijn adem in tot ik buiten ben – de blik van W zorgvuldig vermijdend. Ik begrijp ook niet waarom dit feest gehouden wordt, maar ik word er misselijk van.
Ik weet dat zijn telefoon het geheim bewaart, het bewijs van sabotage prijsgeeft, maar kan er niet over praten. Niet dat het niet mag, maar het gevoel dat het toch al te laat is legt me resoluut het zwijgen op. Buiten staan bandensporen in het verder glad gestreken grind, bandensporen van de auto’s die straks gaan komen. Ik spoel de film in mijn hoofd vooruit, zie hoe de bandensporen worden ingenomen door de autobanden, die volle auto’s dragen, volle auto’s vol volle mensen. Maar de redding schakelt in de achteruit en vertrekt weer. Niet goed, niet goed.
In de verte voel ik ze al aankomen. Door het raam zie ik dat Y daar maar gewoon zit, in haar stoel. Ze komen dichterbij. Gek trouwens, ik ken het gezicht van Y niet. Maar ze komen dichterbij. Ik denk aan strips die naderend onheil beeldend aankondigen met stofwolken en oprukkend lawaai, maar ik zie en hoor niets. Enkel het schijnsel van de zon, dat de zwaarden laat schitteren in de nacht. Dan chaos, en tussen alle wit geklede onnozelen die blind zijn schiet daar Z heen en weer. Ze botst tegen ramen en muren als een vogel opgesloten binnenshuis, maar weet het huis der onwetenden te ontsnappen. In de nacht rent ze over het parkeerterrein, haar pandjas los en wapperend. De wereld schokt, dat kan ze goed. Ik moet wel achter haar aanrennen, maar kan haar niet goed zien door de tranen in mijn ogen. Wrijven, wrijven nu. Ze staat bij een auto, klaar om in te stappen als ik mijn zicht terug heb en haar tegen de grond duw. Haar hoofd stuitert tweemaal op het beton. Links en rechts naast haar lichaam ontvouwt zich de binnenkant van haar jas. Tien stuks, donkerblauw maar fel schijnend ontnemen me wederom mijn zicht. Steek in hart. Ik rol van haar af en laat haar vertrekken, ze scheurt weg. Geen sporen in het grind. Ik wrijf en wrijf en loop terug naar het huis. Ze zijn er al. Een kind wordt geslacht, en hoewel er een reactie met dezelfde wapenen op gang gekomen is, blijkt verdrijving slechts het hoogst haalbare. Het kind ligt daar maar, onherkenbaar.
Maar ik krijg een buitenkans, een geschenk. Mijn tijd is doorgegaan, maar die van de rest is teruggezet. Het is twee uur eerder als ik weer in huis ben. Ik rijker en armer, de rest even onwetend. Z schiet weer heen en weer maar de anderen kunnen dat niet zien, voelen niet dat ze door hen heen suist, een vertraagd lichtspoor achter haar aan slepend. Als ik ze weer voel komen, als de bandensporen van straks en de onrust, ren ik alvast naar de parkeerplaats. Nog geen tranen maar ik wrijf alvast, ik post. Niet om het offer dit keer ongedaan te maken, niet om het niet opnieuw te laten gebeuren, maar om eerst te zijn. Ik sta bij de auto, Z komt er aan rennen, ze wordt door mij achtervolgd. Ik blijf bij de auto staan en zie hoe ik haar tegen de grond duw. Haar hoofd stuitert tweemaal op het beton. Links en rechts naast haar lichaam ontvouwt zich de binnenkant van haar jas. Ik zie dat tien stuks, donkerblauw maar fel schijnend, me wederom het zicht ontnemen. Ik zie me grijpen naar het hart. Ik zie dat ik van haar af rol en haar laat vertrekken, ik zie haar wegscheuren en mij op de grond liggen. En wrijven. Geen sporen in het grind. Ik blijf op de parkeerplaats staan en zie mezelf teruglopen.
Ze zijn er al. Ik zie hoe ik zie dat het kind weer wordt geslacht. Glimmende zwaarden, sporen in het grind, wrijven nu wrijven nu. Ik zie hoe ik een buitenkans krijg, een geschenk. Als ik mezelf het huis weer in zie gaan besluit ik weg te lopen. Weg van de parkeerplaats, weg van het verlangen van zonet, weg van de herinnering aan straks.

