Het Treurige Beroep van Schrijver

"Zo kwam het dat ik mijzelf aanspoorde een stoutmoedige poging te wagen. Ik besloot de droom vast te leggen en er het geheim van te doorgronden. Waarom, zo zei ik bij mezelf, zou ik, gewapend met mijn wilskracht, niet eindelijk eens die mystieke poorten forceren en mijn gevoelens in bedwang houden in plaats van ze over mij heen te laten komen? Is het niet mogelijk dat aanlokkelijke, geduchte drogbeeld te temmen en die nachtgeesten die ons verstand voor schut zetten te vertellen hoe zij zich moeten gedragen? De slaap neemt eenderde van ons leven in beslag. Het verzacht het verdriet dat wij overdag hebben gevoeld, of de straf voor de geneugten die wij overdag hebben ervaren; maar ik heb nooit gemerkt dat de slaap rust verschafte. Na een versuffing van een paar minuten begint er een nieuw leven, bevrijd van de wetten van tijd en ruimte en ongetwijfeld vergelijkbaar met het leven dat ons na de dood wacht. Wie weet of er niet een band tussen die twee bestaansvormen bestaat en of het voor de ziel niet mogelijk is die nu al aan te knopen."
In navolging van de pakjes sigaretten, straks misschien de drank en - hopelijk - die asociale humvee-bakken zou elke pen voortaan een waarschuwingssticker moeten krijgen: schrijven is dodelijk. Is dat te confronterend of ongeloofwaardig wegens het begrip voorbij, dan toch tenminste: Schrijven kan u en anderen rondom u ernstige schade toebrengen. Of: Schrijvers sterven jonger. In plaats van een afbeelding van een verkoolde long zou elke pen vergezeld moeten gaan van het hartverscheurende portret van de Franse schrijver Gérard de Nerval. De Nerval (geboren Gérard Labrunie, 1808-1855) is het schoolvoorbeeld van hoe je als romantisch schrijver ten onder kunt gaan aan je eigen woordenstroom - een woordenstroom, een schrijven, dat ironisch genoeg ook het enige is wat je in leven hield. Het leven liet hem geen andere keus, tegen wil en dank verdwaalde hij in zijn Schrijfwereld. Hij schreef zichzelf naar het einde en toen de woordenstroom opgedroogd was liet hij zichzelf kansloos zakken in zijn eigen graf.
"Knappe man die mij uit mijn medicinale roes haalt," dacht ik nog toen ik me aan het laatste deel van De Nerval's Aurélia of de Droom en het Leven zette, vanavond. Spontaan was die gedachte niet, dat geef ik toe; de voorbije hoofdstukken hadden me er al van vergewist dat hij dat met mij zou doen. Het lag enkel nog aan mij: wanneer onderwerp ik me daaraan? En ik koos voor vanavond, voor nu (net), omdat ik op dat moment begreep dat ik het op dat moment begreep. En toen ik het boek dichtsloeg kon ik met tranen in mijn ogen enkel "Och... die arme, lieve man..." uitbrengen. Het waren - zo zag ik pas achteraf - nagenoeg dezelfde woorden die zijn vader sprak, toen die hoorde dat zijn zoon zich in de nacht van 25 op 26 januari 1855 van het leven had beroofd, verhangen: "Ah! Le jeune homme est mort!" en na enkele ogenblikken: "Ik zal hem erg missen, het was een goede jongen. Pauvre jeune homme!"
In het bij Privé-domein (Arbeiderspers) verschenen Het Treurige Beroep van Schrijver - een bloemlezing van De Nerval's novellen, romans, reisverslagen en correspondentie - is naast de door Proust terecht bewonderde en opgehemelde novelle Sylvie ook Aurélia opgenomen. De Nerval was een briljant schrijver met een briljant ongeluk; hij groeide op zonder zijn moeder, die - zonder haar ooit te hebben gezien - stierf in Silezië in Duitsland in de oorlog in 1814. De tijd zat hem niet mee (de revolutie joeg hem angst aan), de kranten waarvoor hij als journalist en toneelcriticus werkte verkeerden aan de rand van de afgrond. En in Italië verspeelde hij zijn geërfde, omvangrijke kapitaal met een literair tijdschrift dat niet van de grond kwam. Maar een ware zwarte romanticus kan zich niet neerleggen bij de gedachte dat hij geboren is voor het ongeluk; een postmoderne kijk op het leven was ondenkbaar. De Nerval tilde aan elke tegenslag even topzwaar.
Gérard de Nerval verkeerde niet in de slechtste kringen. Zo was hij goed bevriend met de vanaf 1831 in Parijs woonachtige Duitse dichter Heinrich Heine (met en voor wie hij een bloemlezing samenstelde), en schonk zijn baan als toneelcriticus hem een omgeving vol acteurs, kunstenaars en schrijver. Maar in 1841 manifesteerde zich voor het eerst de kwaal, de geestesziekte, waarvan hij pas met zijn dood verlost zou worden. Een psychiater, die de diagnose 'acute manie' (nu: manisch-depressief) stelde, achtte hem aanvankelijk 'te genezen', maar na slechts enkele maanden werd hij 'ongeneeslijk' verklaard. Het weerhield hem er niet van de vele klinieken en gestichten te ontvluchten en de wereld in te trekken; reizen was het enige waarin hij nog geloofde, het enige dat hem inspiratie kon bezorgen om te kunnen schrijven (lees, achteraf: om te kunnen blijven leven).
Maar waanzin heeft een broertje dood aan geografische grenzen en neemt snel bezit van De Nerval's zwaarmoedige geest. Wat rest een schrijver, compleet bezeten door psychotische gedachten, schizofrenie en gekmakende verliefdheid? Schrijven, inderdaad. En dat is wat hij deed. Aurélia of de Droom en het Leven is autobiografisch proza dat verbijsterend verslag doet van hoe De Nerval van de ene in de andere psychose tuimelt. Compleet verloren roept hij de sterren aan, is hij er ineens van overtuigd dat hij een geest, Napoleon of God zelf is, en in de maan ziet hij "het toevluchtsoord van de broederzielen", zij die na de dood verder zullen leven, om ooit terug te keren in de gezichtsuitdrukking van mensen, zoals hij zelf ook de doden ziet in de gezichten om hem heen...
Het is verbijsterend om te lezen hoe hij zijn helletocht door zijn eigen waanzin met zulke precisie en afstand kan beschrijven. Als hij beschrijft hoe hij in een oneindige val richting de aardkern geconfronteerd wordt met De Maagd Maria en Aurélia - een Vlaamse actrice aan wie hij zijn leven verbonden heeft, eeuwig onbereikbaar en daardoor eeuwig aanwezig, de entiteit die zijn ondergang aan waanzin aanzwengelde, hoe groot de kwelling! - hoe hij getuige is van de schepping van de Aarde en de Dingen, hoe hij ziet dat de Goden en de Necromanten vechten om een plek op deze aarde, hoe hij zich meer dan welke Franse romantische schrijver bewust is van de grootsheid van de kosmos, van de sterren, en van dromen...
"Nu houd ik op; het getuigt van te veel hoogmoed om te beweren dat de geestestoestand waarin ik verkeerde alleen teweeg werd gebracht door de herinnering aan een bepaalde liefde. Laten we liever zeggen dat ik er onwillekeurig de gevoelens mee opsierde van een diepere wroeging om een op een waanzinnige manier vermorst leven waarin het kwaad meer dan eens had gezegevierd en waarvan ik de dwaling pas inzag toen ik de slagen van het noodlot voelde."
Dromen... Dan valt eindelijk het magische woord. Veel te laat in dit stuk eigenlijk, maar dromen en de Droomwereld is wat hem tot zijn dood op de been hielden. De droom is een tweede leven. Zo begint Aurélie, en het vat goed samen wat hij met de beschrijving van zijn waanzin wil bereiken: de Droomwereld en de 'echte' wereld verbinden. Of: het verzwegen, onzichtbare verband tussen de twee aantonen. Want De Nerval is ervan overtuigd dat hij in twee werelden leeft: die van overdag, en die van 's nachts. Hij komt al snel tot de conclusie dat er twee mensen in zijn lichaam huizen, een kwade die alle perspectief en al het mooie onherstelbaar vernietigd heeft, en een goede, die zich enkel in zijn dromen manifesteert. Zijn dromen zijn een chaotisch Fantasia, wereldvreemd en psychisch verwijderd van wat wij kunnen begrijpen, dat het wel een andere, maar toch bestaande wereld móet zijn. Voor De Nerval bestaat er niets anders meer. Trekkend van land naar land, van gesticht naar gesticht, is het de ontleding van de Droomwereld en het aantonen van verbanden tussen dromen en waken wat hem op de been houdt. Deze wereld draait niet op dromen, maar zijn dromen en psychoses zijn wel De Nerval's laatste strohalm, zijn enig overgebleven onbestempelde strip op de rittenkaart van dit leven. En dus nutteloos, want met één strip kom je nergens meer tegenwoordig.
Geerten Meijsing noemde het werk van Gérard de Nerval in Vrij Nederland onlangs "kostbare porno" van een kleine kring echte liefhebbers. Porno, omdat bewonderaars het vaak zorgvuldig verborgen houden. Als je zijn roman, de novellen en zijn brieven eenmaal gelezen hebt begrijp je waarom. Zijn hele oeuvre is één grote dirty secret, en dirty secrets deel je niet met anderen. Die hou je voor jezelf. Meijsing windt er geen doekjes om: het liefst zou hij willen dat niemand anders wist van het werk van De Nerval. Na lezing ervan begrijp ik dat niet alleen, maar onderschrijf ik het ook. Niet uit hebberigheid, maar De Nerval's manische, lucide odyssee door zijn eigen waanzinnige en hulpeloze ziel gaat zo diep dat je angst voelt het een ander aan te raden; het aanraden zou wel eens meer van jezelf kunnen prijsgeven dan je lief is...
Ik laat het daarom bij een onverstaanbaar gefluisterde hint, in de hoop dat zoveel mogelijk mensen zijn werk zullen lezen.
En het net als ik voor zichzelf zullen willen houden.
Comments
Your comment