Ik, Dorian Gray
Weet jij hoe je er uitziet? Hoe zie ik er werkelijk uit? Bestaat er één beeld van mij dat mij het beste weergeeft? Een evenbeeld van mij, op het moment zélf? De vele foto’s kunnen het raam uit, het zijn onbetrouwbare herinneringen aan iets waarvan ik maar aanneem dat ik het ooit was. Dat valt niet meer te controleren, en vertrouwen op is grond als een moeras, want het tegendeel is zo gemakkelijk bewezen... nee. Is het het gezicht in mijn douchespiegel, het beeld wat ik elke nieuwe dag als eerste zie – of beter, waar ik vluchtig met de ogen langs glijd– is dat een getrouwe weergave van mijn uiterlijk? Ik kijk ’s ochtends niet lang in de spiegel, te kort om het te duiden. En ook het gezicht dat ik ’s avonds in de spiegel zie, vlak voor het slapengaan, kan niet ‘mij’ zijn. Hoewel oog in oog lukt het me bijna altijd om mezelf op dat fragiele moment te ontwijken en niet in de spiegel te kijken. Met de ogen dicht grijp ik naar gerei en duik mijn bed in. Waarom zou ik ook kijken? Ik neem ’s nachts afscheid van de dag en van mezelf in het schemer van de woonkamer met afstervende noten en flakkerend kaarslicht. Om vervolgens stil de trap te betreden om mezelf niet wakker te maken.
Maar net daarvoor is er altijd die ene onontkoombare blik in de spiegel in mijn woonkamer. Een geschenk, die grote spiegel. Niet gekozen, wel gekoesterd. Het is de spiegel waarop ik het meest ben gaan vertrouwen, maar er is iets mee. Ik ken geen spiegel waarin ik mezelf zo oud aanstaar als die spiegel. Misschien ligt het aan het zwakke licht, het late tijdstip – overdag vermijd ik dit spiegelbeeld wijselijk. Maar sinds ik hem heb zijn mijn wallen groter gezwollen, zijn de groeven rond mijn ogen van twee tot vier (met uitschieters naar vijf) gegroeid – mooie, sterke lijnen overigens, ik zie ze graag. Maar altijd ben ik zeker twee jaar ouder in die spiegel dan ik ben. Of ben ik werkelijk twee jaar ouder dan ik ben? Dorian Gray’s beeltenis op doek werd steeds ouder terwijl hij zijn jeugd behield. Maar mijn spiegel is geen doek. Het is reflecterend glas, geen façade.
Wat is de meest getrouwe afbeelding van mijn gezicht? Bestaat die eigenlijk wel? De winkel- en autoruiten zijn het zeker niet, die zijn in het voorbijgaan te vluchtig. Daarin zie ik mezelf enkel hoe ik mezelf wil zien, of ik let dusdanig op één detail dat het geheel me ontgaat. Het voortschrijden van de tijd maakt een treffend zelfportret in spiegelvorm misschien wel onmogelijk. Zoals foto’s. Het ingelijste onvermogen om je eigen ontwikkeling, je eigen groei, je eigen evolutie waar te nemen.
Maar vandaag keek ik in een spiegel waarin ik nog niet eerder had gekeken. Ik bevond me tevens in een situatie waaruit ontsnapping niet mogelijk was, dus bleef ik kijken. En ik bleef kijken. Alle vanzelfsprekende karakteristieken van mijn gezicht zag ik; de twee littekens met een verhaal, de dagjesvlekken, de rimpels en groeven, de asymmetrie... Ik zag mezelf zoals ik me ken uit alle andere spiegels waarin ik ooit heb gekeken, maar er was iets wat ik nog nooit eerder had gezien. Een onverwachte samenhang, een weerbarstige maar complete compositie, een vorm onherkenbaar de mijne.
Ik ben heel slecht in het onthouden van gezichten – laat staan mijn eigen gezicht – maar dat beeld van vanmiddag zie ik nog steeds voor me, en het brandt door, dieper in de herkenning. Aan de ene kant lijkt het me geenszins een betrouwbare weergave van mijn gezicht. Te vluchtig en te eenmalig, te uniek, beneveld door de gedachte dat middelmaat dé maat is; dit kán de waarheid geen recht doen. Want dat beeld van vanmiddag, wat ik nog meen te zien, Ãs al een herinnering, en niets onbetrouwbaarder dan herinneringen... Maar ik kies er weloverwogen voor om dat ene beeld als het mijne te onthouden, om het voorlopig bij me te dragen – al was het alleen al omdat ik het nog kan zien, turend naar dit scherm, turend in een vlam, turend in de duisternis.
Ik ben de ander. Lak aan wat de Dorian Gray-spiegel me zo laat zien, als ik ga slapen...

