2004 # 1: The Arcade Fire - Funeral
“When family members kept dying they realized that they should call their record “Funeral”, noting the irony of their first full length recording bearing a name with such closure.”
… Aldus de band in de begrafenisliturgie die bij de cd zit. Op voorhand lijkt het ironisch, maar nadat je de plaat beluisterd en doorgrond hebt is elke ironie verdwenen. Ik ken het bitter van lauwe koffie na een begrafenis of crematie, en alles wat samenkomt in zo’n situatie, alles wat door je hoofd schiet en wat er omheen draait. Onschuld verloren, verwonderd vanaf je geboorte, zoekende... opgegroeid, gehouden van en gejankt, leeg van onbegrip maar er bovenop gekomen... een droom armer en loden kennis rijker, doorgegroeid... Maar als tegen een betonnen muur gesmeten tot stilstand gebracht. 'Het was mooi, ja het was mooi. Wat wist X zich sterk te houden, wat hield X een prachtige voordracht. En dan al die mensen! De zaal zat vol. Veel meer dan ik had verwacht. Terecht.' En in de ruimte tussen de vingers van al die handen die de mijne schudden, tussen de van verdriet opeen geperste lippen die mijn wang zoeken, begint een buiten mij getreden wirwar van gevoelens en herinneringen een eigen leven te leiden. Een leven dat zich als een ontsnappingsportaal projecteert tussen al die handen, de betraande wangen en strak geklede gasten.
Ik ren erop af en duik erin, sluit de deur achter me en geef me over. Het is niet míjn dood die me hier bracht, maar alles wat ik ooit heb gedaan, gehoopt of nagelaten ondersteunt me als een stel krukken en brengt me in beweging. Het niet weten hoe te leven in mijn tienerjaren, wat later juist een ultieme vorm van leven blijkt te zijn (‘Neighbourhood 1-4’). Een doelloos dwalen, de knellende familiebanden, een zoektocht zonder dat je weet wat je zoekt, anders dan af en toe een schuilplaats, een uitgang uit het alles. Een klein onderkomen voor mij en misschien – liefst wel - voor de enkeling die ik duld (“And if my parents are crying then I’ll dig a tunnel from my window to yours. And since there’s no one else around, we let our hair grow long and forget all we used to know...”). Na momenten van perfectie, warmte en schoonheid (‘Une Année Sans Lumière’) omgangsvormen geleerd en de eerste trits teleurstellingen op zak en houden van... Het onvermogen om te houden van, het teveel houden van, het onbeantwoord houden van, de afkeer van houden van, het in ontkenning zijn van houden van, het houden van houden van en het niet weten wat aan te moeten met het houden van van die ander (‘Crown of Love’: “They say it fades if you let it, love was made to forget it. I carved your name across my eyelids, you pray for rain, I pray for blindness.”).
Het blijkt het ook niet helemaal te zijn en wat overblijft is altijd enkel jezelf. “Je hebt er tenminste van geleerd.” Misschien, maar dat wat je leert is lang niet altijd nuttig of in praktijk te brengen. Het enige wat even licht brengt in die duisternis is het omarmen van de desillusie en jezelf beloven voortaan met minder genoegen te nemen. ‘Wake Up’ is niet minder dan een volkslied voor een hele natie Gedesillusioneerden, een anthemisch kloppend hart onder de riem. (“Children don’t grow up, our bodies get bigger but our hearts get torn up. We’re just a million little gods causin’ rainstorms turnin’ every good thing to rust. I guess we'll just have to adjust…” En die ene laatste zin, die openbaring van berusting, met de hakken in het zand, echoot zo vaak na, maar vaak niet op momenten dat je het zo graag wilt horen. Dan kruip je terug naar het enige waarvan je weet dat het er is, je kleinste zelf (‘In the Backseat’: “I like the peace in the backseat, I don’t have to drive, I don’t have to speak, I can watch the countryside, and I can fall asleep.”)
Ik ben in mijn leven één keer aan de dood ontsnapt. Zo zie ik dat tenminste, en ik denk achteraf dat dat geen irreële duiding is. Maar van ‘mijn leven dat als een film aan me voorbij flitste’ was op dat moment volstrekt geen sprake. Eerlijk? Er was een deel in me dat berustte in een mogelijk einde, maar een groter deel wilde doen wat het kon om het einde te voorkomen. Die inspanning is niet mijn redding geweest, dat bleek uiteindelijk – hoe kan het ook anders – trivia, toeval. Maar het is goed om te onthouden dat die wil zich ergens in mij schuil houdt. Sindsdien speel ik zelf af en toe mijn ‘film’ wel eens af, want ik weet nu dat het in mijn dying seconds niet zal gebeuren; te druk met twijfelen, kiezen, niets doen of handelen. Soms steek ik er iets van op, soms brengt het me niets dan weemoed of droefenis, maar ik weet in ieder geval zeker dat ik in mijn laatste minuut niets heb aan de kennis of inzichten die ik dan nog verkrijg. Dus kan het maar beter nu. The Arcade Fire heeft het ook maar vast gedaan, en op hartverscheurend eerlijke en herkenbare wijze vastgelegd op plaat. Een compleet verhaal, een afgerond geheel waar alles in zit wat ik ken en wat ik nog niet ken. Als ze na deze plaat nooit meer een album maken zal ik het ze niet kwalijk nemen. Funeral is een levensloop, allesomvattend in dramatiek, romantiek en berusting, in liefde en haat, in leven en dood. Maar bovenal een debuut zoals een debuut moet zijn: verpletterend.

